Een zenuw is een onderdeel van het zenuwstelsel en bestaat uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen. Zenuwen bevatten twee typen zenuwvezels: snelle en trage vezels. Langs een zenuwvezel worden fysiologische signalen doorgegeven door verandering van de elektrische potentiaal over de celmembraan. Bij snelle vezels gaat dat met grote snelheid (enige meters per seconde), bij langzame vezels wordt de snelheid uitgedrukt in centimeters per seconde. Het mechanisme is overigens bij snelle vezels en bij langzame grotendeels gelijk, maar bij snelle vezels maakt het depolarisatiefront grotere sprongen door de aanwezigheid van een isolerende myelineschede om de vezel, die wordt gevormd door de cellen van Schwann. Zenuwen geleiden zowel signalen van de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren, die de spieren doen samentrekken, als informatie van de zintuigen naar de hersenen en het ruggemerg toe. Is een zenuw in eerste instantie bedoeld voor spieraansturing, dan gaat het om een motorische zenuw; in het andere geval spreekt men van een sensibele zenuw of gevoelszenuw. Komen beide voor, dan is het een gemengde zenuw.
Daarvoor heeft de zenuwcel, die zich zelf meestal in het centraal zenuwstelsel bevindt, uitlopers genaamd axonen en dendrieten. Axonen geleiden van de zenuwcel af, dentrieten er naartoe.