In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 bleken veel dijken in de provincies Zeeland en Zuid-Holland niet bestand tegen de combinatie van springtij en een zuidwester storm. Zowel op de eilanden als verder landinwaarts kwamen grote stukken land onder water te staan. Circa 1800 mensen kwamen om en veel vee verdronk. De overstromingen zetten grote delen van Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant onder water. Bij Cadzand sloeg water over de dijk, en bij Kruiningen was een gat in de dijk geslagen. Het water stroomde aan de noordkant van Dordrecht binnen. In Rotterdam werd een record waterhoogte gemeld. In Stellendam stond het water tot aan de zolders van de huizen. Op het eiland Roozenburg waren de dijken doorgebroken. Veere stond onder water. Bij Wolphaartsdijk sloeg een gat in de dijk, en ook bij Ossenisse was de dijk doorgebroken. De Nieuwerkerkpolder en Suzannapolder overstroomden. Bij Rammekens sloegen gaten in de dijk. Reigerspolder en Zuid-Beveland stonden onder water. Rilland Bath was geïsoleerd. In Zeeuws-Vlaanderen braken de dijken door, Stavenisse en Middelburg stonden onder water. Tiengemeten is onder water verdwenen, en Ooltgensplaat eveneens, op de Hoofdplaat was de Slapersdijk doorgebroken. Koningin Juliana en prinses Beatrix bezochten het rampgebied. De Franse regering stuurde genietroepen.
Een grote landelijke hulpactie kwam op gang, ondersteund door de radio. Beurzen open: dijken dicht. In de politiek kwam de discussie over de dijkbeveiliging op gang. Het Deltaplan werd geboren, dat onder meer de afsluiting van enkele zeearmen behelsde. Zo'n ramp mocht nooit meer plaatsvinden.
Tegelijk met de watersnood in Nederland vonden ook in België, Groot-Brittannië en noordwest Duitsland overstromingen plaats. In Groot-Brittannië kwamen meer dan 300 mensen om het leven.