De Verlichting is de naam die gebruikt wordt om een politieke en filosofische beweging aan te duiden die de opvattingen over politiek, filosofie, wetenschap en religie grondig wijzigde. Het is niet mogelijk om het exacte begin en einde ervan aan te duiden, maar ruwweg duurde de Verlichting van 1650 tot de Franse Revolutie (eind 18e eeuw). Het belangrijkste principe van de aanhangers van de Verlichting was dat men de waarheid omtrent bepaalde zaken kon vinden met behulp van de ratio (de rede, het verstand), in plaats van wat bijvoorbeeld kerkelijke autoriteiten zeiden zonder meer voor waar aan te nemen. Zo meende Isaac Newton dat in het heelal wetten golden die door de mens ontdekt konden worden. Vele aanhangers van de Verlichting hebben vanwege hun ideeën in de gevangenis gezeten of moeten vluchten.
Waardoor de Verlichting precies ontstond is moeilijk aan te geven, maar duidelijk is dat zowel de Renaissance en de Reformatie er invloed op hebben gehad. Een andere belangrijke invloed ging uit van het ontdekken van de wereld door de Europeanen en het contact met andere volken. Aan het einde van de 17e eeuw werd men overspoeld door reisboeken en -verslagen. Waar men voorheen de westerse mens (en christen) als superieur zag, bleek nu dat sommige andersgelovende en heidense volken, zoals bijvoorbeeld de Chinezen, er ook hoogstaande principes op na konden houden en ook waardevolle culturen konden hebben. Dit soort beschrijvingen vormden al snel (impliciete) kritiek op de Europese maatschappijen. Er werden ook fictieve reisverslagen gepubliceerd, bijvoorbeeld Montesquieu's Perzische Brieven, waarin twee Perzen Europa bezoeken en kritisch beschouwen.
Een ander punt was de geschiedschrijving. Vóór de Verlichting golden de klassieken (bijvoorbeeld Tacitus) en de Bijbel als zeer betrouwbare bronnen van historische kennis, maar onder meer de volgelingen van René Descartes wezen erop dat deze vaak strijdig waren met bijvoorbeeld archeologische vondsten en Egyptische bronnen. Montesquieu en Voltaire vernieuwden de geschiedschrijving grondig.
De radicale Engelsman John Toland gaf in 1696 een werk uit waarin hij beweerde dat de Bijbel deels een vervalsing was en dat de kerk erop uit was het volk te misleiden. Het bijgeloof dat kometen onheil voorspelden, werd door Pierre Bayle aan de kaak gesteld. De Nederlander Balthasar Bekker deed met de heksenprocessen hetzelfde. Spinoza's werk Theologisch-politiek Tractaat uit 1670 stelde onder meer dat jodendom en christendom alleen maar historische fenomenen waren, niet berustend op iets absoluuts. Gedachten- en geloofsvrijheid waren belangrijke eisen van de aanhangers van de Verlichting, die op dit punt sterk beïnvloed werden door John Locke's werk Brieven over de Verdraagzaamheid uit 1689. Het verstand en de vrijheid zouden de mensheid eindelijk kunnen verlossen van onderdrukking en armoede, stelden ze.
Kennis is macht, meenden velen, wat onder meer tot uitdrukking kwam in de beroemde Encyclopédie. Deze kwam tot stand onder leiding van Denis Diderot en Jean d'Alembert, maar ook andere grote namen als Voltaire en Montesquieu droegen artikelen aan. Ander typisch werken uit de Verlichting zijn die van David Hume en Adam Smiths Wealth of Nations.
Jean-Jacques Rousseau wordt wel tot de Verlichting gerekend, maar dat is maar gedeeltelijk terecht. Zijn ideeën waren veel meer op emoties dan op het verstand gericht, en hij werd dan ook vaak bespot door Voltaire, die zelf als de belangrijkste Franse vertegenwoordiger van de Verlichting wordt gezien.
De Duitse verlichtingsfilosoof Kant stond er om bekend dat hij iedere dag een wandelingetje ging maken. De regelmaat daarin was zodanig, zo gaat het verhaal, dat zijn mede-stadsbewoners hun uurwerk er op gelijk konden zetten. Eenmaal was hij de tijd vergeten. Dat was toen hij net Rousseau's Emile had binnengekregen en dat aan het lezen was. Kant, de laatste universalist, staat bekend als moeilijkste filosoof van de moderne tijd maar zijn drie Kritieken worden vanwege hun breedte en diepgang algemeen als een mijlpaal beschouwd in het westerse denken.
De Verlichting speelde zich in vooral af in de hogere kringen. Veel aristocraten interesseerden zich voor de beweging en traden op als beschermheren en -vrouwen van hen die in juridische of financiële moeilijkheden raakten. Bekend is de Salon van Madame Geoffrin.
De literatuur uit de tijd van de Verlichting concentreerde zich vooral op actuele, menselijke zaken, waarbij satire (zowel poëzie als proza) het belangrijkste genre werd. Voorbeelden hiervan zijn het werk van Alexander Pope en Jonathan Swifts Gulliver's Travels. In de architectuur uitten de idealen van de Verlichting zich in "burgerlijke" gebouwen, ordelijk, sober en streng.
De Verlichting speelde zich vooral af in West-Europa. In Frankrijk was het vanwege de strenge censuur vooral een tegenbeweging, waardoor velen moesten vluchten. In Amsterdam bijvoorbeeld, waar veel Hugenoten naar toe waren gevlucht, waren enkele Franse drukkerijen, waarvan de producten naar Frankrijk werden gesmokkeld. Ondanks het belang van de Verlichting in Frankrijk kan overigens niet gezegd worden dat deze direct leidde tot de Franse Revolutie; de aanhangers van de Verlichting waren vooral optimisten die geloofden in geleidelijke hervorming en vooruitgang, geen revolutionairen.
In andere landen waren het vaak juist de heersers die belangstelling toonden. Frederik de Grote bijvoorbeeld was gedurende een deel van zijn leven een groot aanhanger van Voltaire. In wat nu Duitsland heet, werd de Verlichting overigens vertegenwoordigd door onder meer Lessing en Goethe. In Rusland drong de Verlichting nauwelijks door, ondanks de inspanningen van de met Voltaire bevriende tsarina Catharina de Grote. De beweging inspireerde ook de voor onafhankelijkheid strijdende Amerikanen, met name Benjamin Franklin en Thomas Jefferson.