Tagoror  

Encyclopedie




Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

Periode van unificatie van België, Nederland en de facto Luxemburg van 1815 tot 1830 tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

Table of contents
1 Prins Willem Soeverein Vorst
2 De unificatie onder Koning Willem I
3 De macht van de koning
4 Economische en sociale ontwikkelingen
5 Aanleidingen voor de scheiding
6 Enkele ontwikkelingen na 1830

Prins Willem Soeverein Vorst

Nadat het latere Nederland in 1813 bevrijd was van Franse overheersing, keerde prins Willem, de zoon van de laatste stadhouder Willem V na zijn landing in Scheveningen terug naar Den Haag, om er op 2 december 1813 de titel van Soeverein Vorst der Nederlanden te ontvangen.

De eerste grondwet van de Verenigde Nederlanden kwam tot stand onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp en werd aangenomen door een vrij willekeurige groep notabelen. Willem kreeg het opperbevel over leger en vloot, mocht officieren aanstellen en ontslaan, kreeg het oppergezag over de financiën en over de overzeese koloniën. Hij kreeg tevens de leiding over buitenlandse betrekkingen en de aanstelling van gezanten en consuls. De leden van de Staten-Generaal zouden worden gekozen door de Provinciale Staten, maar de wetgeving in de provincies moesten zij delen met de nieuwe vorst. De grondwet verzekerde algemene godsdienstvrijheid.

De unificatie onder Koning Willem I

Tijdens het Congres van Wenen in 1814 werd min of meer beslist tot het afstaan van de Zuidelijke Nederlanden (België en Luxemburg) door

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
Frankrijk. Luxemburg hoorde in principe niet tot het Verenigd Koninkrijk, en maakte deel uit van de Duitse Bond, maar Willem laste het in in zijn Verenigde Nederlanden. Willem maakte zich sterk voor de toevoeging van deze gebieden aan Nederland en de mogendheden waren uit politiek oogpunt (buffervorming tegen Frankrijk) geneigd zijn wens te vervullen. Op 1 maart 1815, toen het congres nog in volle gang was, wist Napoleon van Elba te ontsnappen. Al snel had hij weer een grote legermacht onder zijn bevel, waarmee hij opnieuw oprukte tegen de mogendheden. Uiteindelijk werd hij door Pruisische, Hollandse, Belgische, Nassause (onder aanvoering van de prins van Oranje) en Engelse legers verslagen bij Waterloo. Daarna aarzelde Willem niet langer en riep zich op 16 maart 1815 met instemming van de mogenheden uit tot Koning der Verenigde Nederlanden, Koning Willem I. In september werd in Brussel de eenwording van de noordelijke- en zuidelijke Nederlanden plechtig gevierd. Met de eenwording verwezenlijkte Willem I het ideaal van Willem van Oranje. Van de mogendheden kreeg hij de opdracht het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden uit te bouwen tot een perfect amalgaam.

De macht van de koning

De grondwet (zie boven) gaf de koning bijzonder veel macht. Staatsrechtelijk gezien was het nieuwe koninkrijk heel anders ingericht dan het Nederland en het België van de 20e eeuw. Het koninkrijk bestond qua inwoners uit ongeveer twee miljoen Vlamingen, ruim twee miljoen Hollanders, bijna twee miljoen Walen, en een half miljoen Friezen. In de Tweede Kamer der Staten-Generaal zaten 55 Hollanders en 55 Belgen, waaronder nogal wat ambtenaren die hun baan niet graag wilden verliezen. De Eerste Kamer bestond uit veelal adellijke figuren, oude en nieuwe adel, van wie velen hun benoeming aan de koning te danken hadden. Dat de koning veel macht had bleek ook uit het feit dat de 8 ministers zelf geen verantwoording aan de Staten-Generaal hoefden af te leggen, maar slechts aan de koning. In feite voerden zij de bevelen des konings uit, en bracht de volksvertegenwoordiging daar weinig tegenin. Ook kon de vorst regeren per Koninklijk Besluit.

Economische en sociale ontwikkelingen

Economisch ging het de nieuwe staat voor de wind, hoewel vooral het noorden in het begin te maken kreeg met veel werkloosheid en armoede, nadat een vloed aan Britse goederen de handelsmarkt had gedestabiliseerd. Een op de negen mensen leefde er van een soort bijstand, nauwelijks genoeg om van te overleven. Verzwakte arbeiders werden vervangen door frisse, geschoolde werknemers uit andere Europese landen, wat het werkloosheidscijfer verder opjoeg. Via een nieuwe instelling, de Maatschappij van Weldadigheid, een initiatief van generaal Van den Bosch, werden gestichten voor weeskinderen, armenkolonies en veenkolonies in Drenthe opgericht, waar duizenden verpauperde mensen onder barre omstandigheden aan het werk werden gezet.

Het financieel redelijk stabiele zuiden moest welliswaar de grote schuldenlast van het noorden meedragen, maar profiteerde ook mee van de opbrengsten en afzetmogelijkheden van Nederlandse koloniën. Toch had ook het zuiden te maken met grote verschillen tussen rijk en arm. De grote winsten van de handel en nijverheid werden in nieuwe projecten gestoken, of verdween in de zakken van de direkteuren. Een zevende van de bevolking leefde er in grote armoede.

De koning stelde nieuwe in- en uitvoertarieven vast om de sukkelende, verouderde Amsterdamse handel nieuw leven in te blazen en liet kanalen graven in zowel het noorden als het zuiden (het Noordhollands Kanaal, de Nieuwe Waterweg, het Kanaal van Terneuzen naar Gent, het Kanaal van Brussel naar Charleroi, het Moezelkanaal en het Kanaal van Luik). Een positief effect hadden de ontsluiting van gebieden in zuid en noord door de aanleg van verharde wegen; de uitbouw van de staalindustrie in Wallonië; de ontsluiting van de haven van Antwerpen; en de stimulering van de zuidelijke textielnijverheid. Dit alles maakte een grote export-omzet in laken, wapens, ijzerproduktenprodukten en vlas mogelijk, en import van wol en katoen. De handelsvloot van Antwerpen groeide uit tot 117 schepen. Veel van deze economische projecten financierde de koning vanuit het door hem ingestelde Amorisatiesyndicaat, een fonds dat hij tot ergernis van de notabelen buiten de controle van de Staten-Generaal hield. Ook het onderwijs werd uitgebouwd; vooral in het zuiden was dit nodig wegens het grote ongeletterdheid.

In 1825 richtte de koning, met kapitaal vanuit het zuiden, het noorden en zijn eigen portemonnee, de Nederlandse Handelsmaatschappij op, ter bevordering van de handel vanuit de koloniën. Vlak daarop brak op Java een grote opstand uit, die bloedig werd neergeslagen. Daarna werd in Nederlands-Indië het cultuurstelsel ingevoerd, waarbij eenvijfde van de opbrengsten voor de Nederlandse staat zou zijn.

Het noorden profiteerde dus van het synergetische effect van de eenmaking, de verlichting van de staatsschuld en de grote macht van het koninkrijk. Door alle inspanningen nam de welvaart toe, maar daar waren ook andere initiatieven voor nodig. Waar Engeland al lang industriële revolutie had omarmd, ploegden de Hollanders lange tijd gezapig door in hetzelfde tempo en met dezelfde middelen. Het was bijvoorbeeld oud-officier Paul van Vlissingen die de stoomboot in Nederland introduceerde, die hij inzette voor veerdiensten. Hij was het ook die, met behulp van Engelsen, de eerste machinefabriek oprichtte. Daaruit kwamen later de eerste scheeps- en werktuigbouwkundige projecten voort, zoals het eerste stoomschip van Nederlandse makelij (werf Feijenoord). In 1835, na de scheiding, kreeg het zuiden zijn primeur voor het Europese vasteland: de eerste lijn voor stoomtreinen tussen Brussel en Mechelen. Het noorden volgde in 1839 met het lijntje Haarlem-Amsterdam.

Aanleidingen voor de scheiding

Maatschappelijke verschillen

De eenwording verliep in maatschappelijk opzicht minder goed. De zuidelijke een noordelijke mentaliteit, het bourgondische en het calvinistische, bleken elkaar niet goed te verdragen. Verschillen in communicatie, mentaliteit en leefstijl verhinderden vaak wederzijds vertrouwen, begrip en interesse voor elkaars belangen. Beide rijksdelen hadden een verschillende historische bagage. Wederzijdse beduchtheid voor overheersing van de ene of andere taal en godsdienst, bleken eveneens conflicten in de hand te werken.

Politiek/godsdienstige problemen

Ook in politiek opzicht ging het geleidelijk aan minder goed. Koning Willem I regeerde als een verlicht despoot, en in het traditionele zuiden wekte dat vaak wrevel op. Onder meer door de relatieve ondervertegenwoordiging van het zuiden ten opzichte van het noorden op hoge overheidsposten en in de legertop, gingen vele zuiderlingen wat voelen voor autonomie (al had het zuiden getalsmatig iets meer volksvertegenwoordigers dan het noorden (een situatie die meer voorkomt bij federale staten, zoals bijvoorbeeld in de Amerikaanse senaat). Maatregelen om in het hele koninkrijk het Nederlands als overheidstaal in te voeren leidde tot grote wrevel bij het Waalse volksdeel.

Ook de afkeer van het homogeen katholieke zuiden tegen het protestantse noorden (in feite was 40% in het noorden ook katholiek), en de zuidelijke wens tot invoering van de Rooms-Katholieke kerk als staatskerk (in strijd met de grondwet) versterkten de roep om autonomie. Zeer tegen het zere been van de katholieke clerus was het verlies van kerkelijke grip op het onderwijs. Zo liet de koning met een beroep op de vrijheid van onderwijs de bisschoppelijke seminaries sluiten in ruil voor de oprichting van een minder van de kerk afhankelijk Collegium Philosophicum.

Onder aanvoering van de bisschop van Gent, monseigneur De Broglie, kwamen de zuiderlingen steeds meer in opstand. De koning probeerde dit verzet in de kiem te smoren, onder meer door de persvrijheid enigszins te beknotten en hier en daar de marechaussee in te zetten, maar dit alles was olie op het vuur van het verzet.

Uiteindelijk kwam het tot een monsterverbond van katholieken en liberalen tegen de koning. Maar omdat het liberale verzet in het noorden niet van de grond kwam, leidde dit enkel in het zuiden tot een algemene opstand, de Belgische Revolutie van 1830, waarmee België; zich afscheidde van Nederland/Luxemburg en een apart koninkrijk werd.

Enkele ontwikkelingen na 1830

Pas in 1848 kwam in het noorden, het moderne Nederland, het verzet tegen de grote macht van de koning van de grond, wat onder Koning Willem II leidde tot een nieuwe grondwet, een ontwerp van de liberaal Johan Rudolf Thorbecke.

Luxemburg werd een zelfstandig groothertogdom in 1890, toen met de dood van Koning Willem III de Ottoonse tak van de Nassaus uitstierf in de mannelijke linie. De Nederlandse kroon ging over op de vrouwelijke erfgenaam, Koningin Wilhelmina, maar Luxemburg besloot over te gaan op de Walramse tak van het huis Nassau.




Tagoror Networks: Spain  |  Philippines  |  Mexico

Los documentos de esta enciclopedia on line se publican bajo la Licencia de Documentación Libre GNU

De tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van toepassing zijn.