vegetatiekunde of plantensociologie is een tak van de biologie die de vegetatie als object van onderzoek heeft. Om de vegetaties te kunnen classificeren hebben vegetatiekundigen een typologie ontwikkeld. Er zijn diverse scholen, die verschillende methoden hebben ontwikkeld om vegetaties te classificeren.
Ten eerste is het verschil tussen de Anglo-Amerikaanse en de Contintaal-Europese benadering van vegetaties. De eerste beadering gaat uit van een langzame overgangen bij de verschillen tussen vegetaties zonder dat daarbij vast groepen of typen onderscheiden kunnen worden. De Contintaal-Europese ziet wel onderscheidbare en beschrijfbare typen. De Continentaal-Europese benadering is gebaseerd op de waarneming dat vegetaties kenmerken hebben die niet terug te voeren zijn op de eigenschappen van de individuele soorten, maar op hun onderlinge interactie. Zo komt zij tot een serie strikt omschreven typen met verdere onderverdelingen. De achtergrond van dit verschil is dat de Continentaal-Europese scholen gevormd zijn in Europa waar het landschap gevormd is door eeuwenlang cultuurgebruik. Dat cultuurgebruik zorgt voor meer gefragmenteerd landschap. In Amerika chter zijn er grote aaneengesloten natuurgebieden die nooit veel cultuurlijke bewerking hebben gekend en is de overgang tussen de verschillende vegeaties door klimatologische verschillen veel vloeiender.
De Continentaal-Europese benadering kent verschillende scholen. Het belangrijkste verschil tussen deze betreft de onderzoeksmethode.
De drie scholen zijn:
De Noordse of Scandinavische school. Deze onderzoekt de lagen van de vegetatie (boomlaag, struiklaag, kruidlaag, moslaag) en bekijkt dan welke soorten overheersen en welke in bijna alle opnamen voorkomen.
De Deense school. Centraal in deze school staat de verdeling het proefvlak in allerlei vakjes. Van elk vakje worden de soorten genoteerd en in welke mate ze in de vakjes voorkomen. het proefvlak hoeft niet homogeen te zijn
De Frans-Zwitserse school, die werkt met de methode die ontwikkeld is door de Zwitser Josias Braun-Blanquet in het Franse Montpellier. De methode begint met het uitzoeken van een homogeen proefvlak van hooguit een paar vierkante meter. Daar worden alle soorten van genoteerd en in welke mate voorkomen (bedekking). Bij de analyse gaat men in alle opnamen die er zijn gemaakt onderzoeken welke soorten in welke mate bij elkaar voorkomen en in welke mate zij dan in de bewuste proefvlakken voorkomen. Zo gaat men differentiërende soorten onderscheiden aan de hand waarvan men de vegetaties classificeert.
In Nederland is de Frans-Zwitserse school dominant geworden. Deze school heeft door o.a Victor Westhoff een belangrijke rol gespeeld in de natuurbescherming in Nederland en dan met name binnen de Klassieke Natuurbeschermingsvisie.
Literatuur:
Schaminee, J.H.J, A.H,F, Stortelder en V. Westhoff: De vegetatie van Nederland, deel 1, Uppsala/Leiden 1995