Met de term Tinpest wordt de fase-overgang aangeduid die het element tin ondergaat van de zilverwitte metallieke β-fase die van 16°C tot 181°C stabiel is. Deze fase verandert onder 13,2°C in het grijs/zwarte -Tin.
De overgang begint meestal vanuit een beperkt aantal groeicentra en breidt zich langzaam uit. Aan voorwerpen uit tin is dat te zien als een aantal donkere plekken die blaasjes en oneffenheden veroorzaken.
Bij verdere daling van de temperatuur neemt de drang naar het ondergaan van de overgang nog verder toe, maar bij al te lage temperaturen neemt de groeisnelheid van de nieuwe fase af. De optimale temperatuur voor de overgang is daarom rond -48°C. Bij legeringen met andere metalen kan de overgang zowel bevorderd (Zn,Al) als geremd (Sb,Bi) worden. Ook een oplossing van Tinammoniumchloride (NH4)2SnCl6) in alcohol bevorderd het proces.
Tinpest was in de Middeleeuwen een onbegrepen en gevreesd verschijnsel omdat het orgelpijpen in stof deed uiteenvallen.