Een voorbeeld
Stel:
- 1 op de 100 mensen in de algemene bevolking bevolking heeft reumatoïde artritis.
- Er bestaat een test die "reumatest" heet. Deze test heeft een specificiteit (d.w.z de kans op een negatieve test als de ziekte afwezig is) van 0,8 en een sensitiviteit (kans op een positieve test bij aanwezigheid van de ziekte) van 0,7.
Vraag: Is het zinvol om de bevolking met deze test op het voorkomen van reuma te testen? We willen weten wat de kans is op het aanwezig zijn van de ziekte als we een willekeurig iemand uit de bevolking testen en de uitslag is positief.
A wordt dan de kans op de ziekte, gegeven het feit B, dat de uitslag positief is.
P(B|A), de kans op een positieve uitslag als de ziekte aanwezig is, is 0,7.
P(A), de kans op ziekte is 0,01 (immers 1 %);
P(B), de kans op een positieve uitslag is 0.99*(1 - 0.8)+0,01*(0,7) = 0.205;
Invullen levert
- P(A|B) = 0,7 * 0,01 / 0,205 = 0,0304
Dus zelfs bij een positieve uitslag van de test is de kans dat de onderzochte persoon de ziekte heeft maar iets meer dan drie procent. De "reumatest" is in deze situatie nagenoeg onbruikbaar. Zie ook: prevalentie, incidentie.