Tenochtitlán is de pre-columbiaanse naam van Mexico-stad. Het had ten tijde van de komst van de Spanjaarden, rond 1500, 200.000 inwoners, en was daarmee een der grootste steden ter wereld.
De stad is niet te verwarren met Teotihuacán, een veel oudere Toltekenstad die ongeveer 60 kilometer meer naar het Noorden lag.
Volgens de legende trokken de Azteken door het land tot zij de voorspelling van hun priesters uit zagen komen. Deze hadden gezegd dat zij zich moesten vestigen op de plaats waar zij een arend op een cactus met een slang zagen vechten. Deze scene is ook afgebeeld op het wapen van Mexico.
De stad werd in 1375 op een eiland in het Texcoco-meer gesticht. Op een ander eiland in het meer bevond zich Tlatelolco dat zich politiek verbond met Tenochtitlán, maar toch een zekere zelfstandigheid wist te bewaren. Tenochtitlán ontwikkelde zich tot de hoofdstad van het Azteken-rijk, dat ontstond uit een bondgenootschap met Tlatelolco en Tlacopán. De schatting die uit de onderworpen provicies binnenkwam werd in een verhouding 5:3:1 verdeeld.
De stad werd ten dele op palen verder het meer in gebouwd en werd doorsneden door grachten de Chinampas waarlangs mais en groente verbouwd werden. De stad was met drie dammen met het vasteland verbonden. Deze wegen kwamen bij de hoofdtempel bijeen, die aan Huitzlipochtli, de zonnegod, en Tlaloc, de regengod, gewijd was. Op de plaats van de tempel staat nu de Kathedraal van Mexico-stad, zij het dat de tempel heel wat groter was.
In de jaren 1519-1521 werd de stad door Hernán Cortéz met hulp van zijn bondgenoten uit Tlaxcala veroverd en verwoest. Op de puinhopen werd Mexico-stad gebouwd.