Voor televisie wordt gebruik gemaakt van de ethter-frequenties tussen 480 en 870 MHz (kanalen 21 tot en met 67). Voor gebruik op gesloten kabelnetten zijn ook andere frequenties in gebruik. Vroeger werden ook lagere frequenties gebruikt (kanalen 2 tot en met 12), maar gebruik daarvan is afgebouwd om deze frequenties te kunnen gebruiken voor andere toepassingen. Bij televisie wordt het beeldsignaal via amplitude modulatie (AM) aangebracht op de draaggolf-frequentie. Het bijbehorende geluid wordt middels een hulpdraaggolf met frequentie modulatie (FM) toegevoegd.
Om de bandbreedte van het hele signaal beperkt te houden tot ongeveer 6 MHz, wordt een speciale vorm gebruikt van AM.
De frequentie van de hulpddraaggolf is voor West-Europese landen (buiten de UK) bedraagt 5,5 MHz. In de UK wordt 6,5 MHz gebruikt.
Aangezien AM veel gevoeliger is voor puls-signalen dan FM, zal bij een bliksem-inslag wel het beeld, maar niet het geluid worden verstoord.