Geschiedenis
Aanvankelijk waren centrales batterijen tafels waar men met "koorden" (telefoonkabelpluggen) de verbindingen handmatig maakte. Ook de taxatie, die naderhand diende voor de facturatie, werd met de hand bijgehouden.
Wanneer abonnee A met een abonnee B wilde praten, gaf A dit te kennen aan de centrale. De centrale riep dan abonnee B op, en maakt vervolgens de verbinding tussen de 2 gesprekspartners. De eerste automatische centrale werd in New York ontworpen, niet door een elektronicus, maar door een begrafenisondernemer. Almon Strowger verdacht lokale telefonistes ervan de oproepen voor een begrafenis naar concurrenten door te geleiden waardoor hij klanten verloor. Met zijn automatische centrale, waarvan nog tot in de jaren zestig exemplaren werden gebruikt, vormde de klant zelf het nummer. Zo bepaalde de klant wie hij/zij aan de lijn kreeg, zonder tussenkomst van een telefoniste.
Het principe was dat een telefoontoestel was voorzien van een kiesschijf. Bij het opnemen van de hoorn werd de lijn verbonden met een registerrelais dat door de kiesschijf gegenereerde pulsen telde, en doorschakelde naar het volgende cijferrelais, dat dan weer een nieuwe keuze mogelijk maakte enzovoorts. Bij het opnemen aan de andere kant, werd een puls gegenereerd, waardoor een mechanische teller versprong.
Telefooncentrales werken nog steeds volgens dit idee; alleen is de kiesschijf vervangen door een serie druktoetsen, en zijn de relais en tellers elektronische schakelingen geworden. In de loop der jaren zijn steeds meer onderdelen van de centrales vervangen door elektronica.
Tegenwoordige tijd
De huidige telefooncentrales werken digitaal. Hierdoor kan data sneller verstuurd worden. Analoge centrales werken in een frequentieband tussen 300Hz en 3kHz, maar bij digitale verbindingen vindt de overdracht in digitale vorm plaats en kunnen meer gegevens over dezelfde lijn worden gestuurd. Zo wordt data bij een ISDN verbinding digitaal aan de centrale aangeleverd, wat sneller is dan computerdata met een modem omzetten in geluidspiepjes die via een analoge lijn worden verstuurd.
Om kabelcapaciteit te winnen, is de reikwijdte van een centrale beperkt. Men spreekt dan van lokale centrales. Deze zijn onderling verbonden via een transitcentrale. Tussen transitcentrales spreekt men niet van lijnen maar van juncties. Via die juncties kunnen mensen van lokale centrale x via transit 1 en transit 2 praten met mensen aangesloten op lokale centrale y.
Tenslotte kunnen transitcentrales ook nog verbonden zijn via een interconnectie centrale. Deze interconnectiecentrales geven verbindingen tot een internationale centrale. Op dit moment (2003) zijn deze interconnectiecentrales ook de verbindingen tussen de netwerken van de verschillende nationale telecombedrijven.