In de tachtiger jaren van de 19de eeuw werd het Symbolisme in Frankrijk op gang gebracht, zowel in de schilderkunst als in de literatuur, als reactie op het Impressionisme en ook op het sociaal-economisch realisme. Het was Jean Moréas, die in 1886 zijn Symbolisch Manifest liet verschijnen in de Parijse Figaro en aldus naam gaf aan de artistieke beweging die aan het ontluiken was. Het kwam erop aan het kunstwerk een subjectieve zeggingskracht te geven omheen de menselijke figuur, in een raadselachtig-magische samenhang van erotiek en dood. Veelal werd de vrouw voorgesteld als de pure belichaming van zinnelijkheid en seksualiteit. Mythologische en historische voorstellingen lagen voor de hand bij een fantastische sfeerschepping.
In Frankrijk creëerden Paul Gauguin, Gustave Moreau, Odilon Redon en Pierre Puvis de Chavanes belangrijke symbolistische werken.
In Nederland verdienden Jan Toorop, Antonius Derkinderen, Johan Thorn-Prikker, Willem Adriaan van Konijnenburg en Richard Roland Holst hun sporen in het symbolisme.
In Duitsland presteerde vooral Franz von Stuck symbolisch.
In België werd het symbolisme geleid door Fernand Khnopfh, Jean Delville, Constant Montald, Xavier de Mellery, Leon Spilliaert en William de Gouve de Nuncques.
In Engeland speelde Walter Crane een blijvende rol.