Stabilisation Force Iraq of SFIR is een stabilisatiemacht die na de Golfoorlog van 2003 in Irak is gestationeerd. De SFIR-troepen hebben als belangrijkste taak het bijdragen aan de stabiliteit in Irak. De Nederlandse bijdrage aan SFIR bestaat uit militairen van het Korps Mariniers, de Koninklijke landmacht, de luchtmacht en de Marechaussee. De soldaten zouden zes maanden blijven.
Achtergrond
Op 17 januari 1991 begon de Golfoorlog, die ten doel had de Irakezen te verdrijven uit het door hen in augustus van het jaar daarvoor bezette Koeweit. De stcorijd werd gevoerd door een grote coalitie van landen, onder aanvoering van de Verenigde Staten, en eindigde begin maart 1991 met het beoogde resultaat.
UNSCOM en sancties
In de daaropvolgende wapenstilstand was de voorwaarde opgenomen dat Irak zich zou ontdoen van zijn massavernietigingswapens, onder toezicht van wapeninspecteurs van de Verenigde Naties: UNSCOM. Er werden ook sancties opgericht om de Iraakse in- en uitvoer te beperken. Volgens schatting door Anupama Rao Singh, de directeur van UNICEF hebben deze sancties geleid tot de dood van 500.000 Iraakse kinderen.
" class="external">http://www.commondreams.org/headlines/072100-03.htm-->
31 oktober 1998 geeft Irak geen toestemming meer voor verdere inspecties.
" class="external">http://www.un.org/Depts/unscom/Chronology/chronologyframe.htm-->
16 december 1998, dezelfde dag dat de UNSCOM inspecteurs Irak verlaten, begint "Operation Desert Fox" en werden doelwitten in Irak gebombardeerd door Amerikaanse en Britse vliegtuigen.
" class="external">http://de.wikipedia.org/wiki/Geschichte_des_Irak-->
De Irakese tegenwerking en de afwezigheid van controle voedden bij sommigen de angst dat het regime van Saddam Hoessein nog steeds bezig was met de productie van massavernietigingswapens. Deze angst is echter tot op de dag van vandaag nog niet gerechtvaardigd gebleken.
11 september
In de loop der jaren legde Irak alle oproepen om de VN-inspecteurs weer toe te laten en opening van zaken te geven over zijn wapenprogramma’s naast zich neer. Mede vanwege de waarschijnlijk door Al Qaeda gepleegde terreuraanslagen van 11 september 2001 besloten de Amerikanen deze weigering niet langer te tolereren. Er is echter nooit bewijs geleverd voor het bestaan van banden tussen het Iraakse regime en Al Qaeda. De Amerikanen drongen er bij de Veiligheidsraad van de VN op aan om een nieuwe resolutie aan te nemen die een oorlog zou kunnen rechtvaardigen. Onder deze toegenomen druk stemde het Irakese bewind op 16 september 2002 toe in de terugkeer van de wapeninspecteurs. Die wisten echter niet de door de VS gewenste resultaten te boeken. Uiteindelijk nam de Veiligheidsraad in november 2002 resolutie 1441 unaniem aan, welke Bagdad een laatste kans bood eerdere resoluties uit te voeren, op straffe van ‘ernstige gevolgen’. In maart 2003 concludeerden Amerikanen en Britten dat Irak onvoldoende medewerking had verleend en zij besloten tot gewapende actie.
"Project for the New American Century"
In september 2000, in het rapport "Rebuilding America's Defenses", had het Project for the New American Century al plannen voor een nieuwe aanval op Irak, onafhankelijk of Saddam Hussein aan de macht bleef. Een jaar later, september 11 2001 wordt er gemeld datDefense Secretary Donald H. Rumsfeld aantekeningen gemaakt heeft "best info fast. Judge whether good enough hit S.H. [Saddam Hussein] at same time. Not only UBL [Osama bin Laden]". Kort daarna kondigde de regering van George W. Bush de War on Terrorism aan, vergezeld met de doctrine van preemptieve militaire actie, de Bush doctrine genaamd.
In 2002 rees de Irak ontwapeningscrisis allereerst als een diplomatieke situatie. In oktober 2002, kreeg President Bush van het Amerikaanse Congres toestemming om oorlog te voeren met Irak. De "Joint Resolution to Authorize the Use of United States Armed Forces Against Iraq" bevatte de aanmoediging, maar niet de vereiste, van VN Veiligheidsraad goedkeuring voor militaire actie.
In november 2002, VN acties over Iraq culmineerden in de unanieme aanname van VN Veiligheidsraad Resolution 1441 en het voortzetten van de wapeninspecties. De Verenigde Staten begonnen ook met de voorbereidingen voor een invasie van Irak, vergezeld met diplomatiek, public relations en militaire voorbereidingen.
De coalitie
De coalitie bestond ditmaal uit minder landen dan in 1991. De Amerikanen leverden weer de hoofdmoot van de strijdkrachten, gevolgd door de Britten. Verder deden er Special Forces uit Australië mee en waren er kleinere contingenten uit Midden-Europese landen als Polen en Tsjechië van de partij. Ook marinetroepen uit Denemarken en Spanje deden mee. In de vroege ochtend van 20 maart 2003 werd de Irakese hoofdstad aangevallen door vliegtuigen en kruisraketten. Die zelfde avond begon de grondcampagne. De coalitie rukte snel op en veroverde op 9 april Bagdad. Vijf dagen later viel het laatste bolwerk van Saddam Hoessein: zijn geboorteplaats Tikrit.
Op 22 mei 2003 nam de Veiligheidsraad resolutie 1483 aan, die voorziet in de instelling van een "stabilisatiemacht" in Irak ("SFIR"). Deze legermacht functioneert onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van de door de twee bezettende mogendheden (de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk) gevormde "Autoriteit". De SFIR moet de Irakezen assisteren bij de wederopbouw van het land, de hervorming van overheidsinstanties en het creëren van stabiliteit en veiligheid.
Samenstelling SFIR
De Verenigde Staten van Amerika en het Verenigd Koninkrijk leveren het gros van de troepen. Daarnaast doen nog elf andere landen zeker mee:
Voorts hebben Bulgarije, Slovenië, Albanië, Estland, Thailand, Filippijnen, Letland, Litouwen, Honduras, Dominicaanse Republiek en Fiji toegezegd interesse te hebben in het leveren van een bijdrage aan de stabilisatiemacht. Als operatieterrein van SFIR is Irak onderverdeeld in drie sectoren, waarbij de Polen de eenheden in het noorden, de Amerikanen die het midden en de Britten die in het zuiden aansturen. De totale omvang van de stabilisatiemacht staat nog niet vast.
Nederlandse deelname
De eerste 25 militairen van de Nederlandse krijgsmacht vertrokken op 2 juli naar Irak. Zij vormden de voorhoede van een contingent van circa 1100 man, met als kern een bataljon mariniers (± 650). De bijdrage van de landmacht (± 230) bestaat voornamelijk uit een genie-eenheid, die van de luchtmacht (± 90) uit een helikopterdetachement met drie Chinooks en de marechaussee is present met een detachement militaire politie (25). In principe neemt Nederland voor zes maanden deel in SFIR, met de mogelijkheid tot verlenging met een zelfde periode. De militairen moeten de vrede bewaren in Al-Muthanna, een woestijngebied groter dan Nederland, dat in het zuiden van Irak ligt en binnen de Britse sector valt. Op 10 juli 2003 vertrokken de volgende 300 militairen.
Op 11 december 2003 werd tot verlenging van de deelname aan SFIR besloten. Alle politieke partijen in de Tweede Kamer, met uitzondering van de fracties van GroenLinks en de Socialistische Partij stemden hiermee in. Volgens de SP is de deelname in strijd met artikel 90 van de Nederlandse grondwet, dat luidt: "De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde".
Bron
Een eerdere versie van de tekst op deze pagina is afkomstig van de website van het Ministerie van Defensie (NL)
Zie ook oorlog tegen het terrorisme
" class="external">http://eurodusnie.nl/2004/02/895.shtml-->