De specificiteit is een maat voor de frequentie (uitgedrukt als fractie, of door vermenigvuldiging met 100 in procenten, b.v. 0,90 -> 90%) waarmee voor een test een negatief resultaat wordt gevonden indien de conditie (bijvoorbeeld een ziektebeeld) ook werkelijk afwezig is. De sensitiviteit van een test geeft op analoge wijze de frequentie aan waarmee voor een test een positief resultaat wordt gevonden als de conditie (bijvoorbeeld een ziektebeeld) ook werkelijk aanwezig is.
Op grond van bovenstaande definities wordt in het ideale geval voor zowel de specificiteit als de sensitiviteit van een test 100% gevonden. In werkelijk komt dit niet voor. Men kiest afhankelijk van de situatie voor een zo hoog mogelijke specificiteit of een zo hoog mogelijke sensitiviteit. Meestal daalt het ene als het andere stijgt.
Bijvoorbeeld:
Een opsporingstest voor HIV bij bloeddonoren moet een zo hoog mogelijke sensitiviteit hebben: men wil dus vermijden dat er fout-negatieve uitslagen zijn. Een fout-negatieve uitslag wil zeggen dat iemand die HIV-besmet is, de uitslag krijgt dat hij gezond is. In dat geval zal onterecht het bloed als gezond worden beschouwd en zal het bij toediening de acceptor besmetten. De sensitiviteit van de test kan worden ingesteld door te schuiven met de drempelwaarde, die waarde waarbij de test als positief wordt beschouwd. Een test met hoge sensitiviteit (lage drempel), zal een lagere specificiteit hebben, waardoor sommige mensen onterecht worden beschouwd als HIV-positief. Hun bloed zal onterecht geweigerd worden, maar dit is in dit voorbeeld veel minder erg dan in het andere geval.
Voorbeeld van een situatie waarin juist een een hoge specificiteit gewenst is: de gerechtelijke toetsing van de strafbaarheid van een verdachte moet liefst een zo hoog mogelijke specificiteit hebben. Fout-positief betekent in dit geval namelijk dat een onschuldige toch schuldig zou worden bevonden. Fout-negatief betekent dat een schuldige onschuldig wordt bevonden. In ons rechtssysteem gaat men ervan uit dat het erger is een onschuldige op te sluiten dan een schuldige vrijuit te laten gaan. Men wenst bij de veroordeling dus zo weinig mogelijk fout-positieven. Dus krijgt de verdachte altijd het voordeel van de twijfel, ondanks dat hierdoor de sensitiviteit lager wordt en dus meer schuldigen vrijuit zullen gaan.
Zie ook fout-positief en fout-negatief, theorema van Bayes.