Recreatief schaatsen
Wanneer een Nederlander het schaatsen zegt, bedoelt hij of zij daarmee vrijwel altijd 'het hardrijden op de schaats'. Maar ook als prettige vrijetijdsbesteding op winterse dagen is het bijzonder populair. Het is één van de oudste Nederlandse volkssporten en wordt van jongs af aangeleerd. Wanneer het een paar dagen vriest dat het kraakt en het ijs stevig is, geven scholen wel eens ijsvrij. Een groot aantal Nederlandse schilders uit de Middeleeuwen en later hebben de winterse ijspret vastgelegd met kwast en verf. Hoewel ook in andere landen van het noordelijk halfrond schaatsen in trek is, is het als volksvermaak toch een typisch Nederlands verschijnsel. Hardrijden op de schaats
In 1892 werd de Internationale Schaats Unie opgericht, die wedstrijden uitschreef (en dat nóg doet) en daarvoor de afstanden bepaalde. Het traditionele mannentoernooi (grote vierkamp) bestaat uit de 500, 1500, 5000 en 10000 meter. Op vrouwentoernooien worden tegenwoordig de 500, 1500, 3000 en 5000 meter verreden (voorheen 500-1000-1500-3000m). Een enkele maal wordt ook bij de bannen de 3000 meter in plaats van de 10000 meter gereden: hierbij wordt dan gesproken van de kleine vierkamp. Deze kleine vierkamp heeft nog geen officiële status, al wordt er steeds openlijker over gesproken om de kleine vierkamp bij de grote toernooien te gaan rijden in plaats van de grote vierkamp. Bij een sprinttoernooi zijn dat de 500 en de 1000 meter, die elk tweemaal gereden worden (eenmaal startend in de binnenbaan, eenmaal in de buitenbaan). Kortebaantoernooien over 160 (mannen) en 140 meter (vrouwen) worden alleen op regionaal niveau in Nederland nog georganiseerd.
Sinds 2002 worden ook alternatieve wedstrijden door de ISU georganiseerd, zoals de 100m sprint en de ploegenachtervolging.
Disciplines:
- Sprinters, lange-afstandschaatsers en all-rounders
- Sprint - 500 en 1000 meter.
- Middellange afstand - 1500 en 3000 meter.
- Lange afstand - 5000 en 10.000 meter.
- Marathonschaatsen