Onder de Belgische surrealisten was René Magritte onbetwistbaar de voornaamste kunstschilder. Geboren te Lessines (Ned. Lessen) op 21 november 1898, stierf hij te Schaarbeek op 15 augustus 1967. Hij is nauwelijks 14 jaar oud, als men zijn moeder levenloos uit de Samber haalt, na een wanhoopsdaad. Deze gebeurtenis heeft hem zodanig beïnvloed, dat hij later nog meermaals in zijn werk naar dit drama verwijst.
Van 1916 tot 1920 krijgt hij een opleiding aan de Brusselse Academie, onder leiding van Gisbert Combaz, van Emile Vandamme-Sylva en van Constant Montald.
In 1922 trouwt hij met Georgette Berger.
Zijn debuut resulteert in kubistisch, futuristisch en abstract werk, onder invloed van zijn werkbaas Victor Servranckx in de behangpapierfabriek Peters-Lacroix. Na de kennismaking met het werk van Giorgio de Chirico, in 1925, begint zijn werk surrealistische elementen te assimileren.
Onder de leiding van Edouard Mesens, werkt hij mee aan het tijdschrift "Oesophage" en krijgt hij zijn eerste individuele expositie in de galerij "Le Centaure", te Brussel, in 1927.
Tussen 1927 en 1930 verblijft hij te Parijs, waar zijn surrealistische visie bekroond wordt met de vriendschap van Paul Eluard en van André Breton, die in 1924 al Het Surrealistisch Manifest had geschreven.
Wanneer, in 1930, de "Centaure", waar Magritte onder contract werkt, gefailleerd wordt, kan Edouard Mesens al zijn werken, een 200-tal, opkopen.
Tijdens een korte periode, tussen 1940 en 1946, gaat Magritte zijn palet enigszins verrijken met een impressionistische accentuering, doch hierna keert hij terug tot zijn vroegere stijl, wel even agressiever, ingevolge een nogal rumoerig geworden verhouding met zijn vorige surrealistische omgeving (Goemans, Scutenaire, Nougé, Lecomte, Souris, Mesens). Zijn zwarte humor leidt hem vaak tot een morbide figuratie, daarbij nog meer gesurrealiseerd door de soms onmogelijk onwaarschijnlijke benamingen die hij zijn werk toebedeelt.
In 1953 creëert Magritte de wandschilderingen, in opdracht van de familie Nellens, in het Casino te Knokke.
Zijn gezamenlijk werk wordt in 1960 bekroond met de Belgische Staatsprijs. Het is de eerste keer, dat de Staatsprijs aan een schilder wordt toegekend.
Buiten de talloze private collecties, is het werk oa. te situeren in de musea van Brussel, Charleroi, Luik, Gent, Wenen, New York, Philadelphia, Parijs, Chicester en Venetië.