Relatieve vochtigheid en klimaat
Zowel een te vochtige als te droge atmosfeer wordt bij bepaalde temperaturen als onaangenaam ervaren. Uit de weerberichten bekende begrippen als drukkend, kil, guur en waterkoud hebben te maken met een zeer hoge luchtvochtigheid. Bij schraal weer bevat de lucht weinig waterdamp en is de relatieve vochtigheid heel laag. De laagste waarden van de relatieve vochtigheid worden in ons Nederland gemeten in mei en juni, gemiddeld zo'n 70 tot 80%.
Vooral in het voorjaar daalt de luchtvochtigheid soms tot extreem lage waarden van minder dan 20%. Dat gebeurt wanneer koude lucht van noordelijke breedten wordt aangevoerd. Op zulke zeer droge dagen is de lucht diepblauw van kleur, loopt de temperatuur overdag snel op om 's avonds weer sterk te dalen. De dagelijkse gang van de temperatuur, het verschil tussen dag en nacht, kan soms meer dan 20 graden bedragen. Onder zulke omstandigheden is er kans op vorst aan de grond of zelfs nog vorst op de normale waarnemingshoogte van anderhalve meter.
Zo'n dag was 1 april 1965. In De Bilt wees de hygrometer volgens registraties van een hygrograaf toen korte tijd 6% aan, zover bekend de laagste vochtigheidsgraad die hier ooit is gemeten. Zo'n extreem lage vochtigheid komt gewoonlijk alleen in woestijngebieden voor. In Venlo is die dag een nog lagere stand van 4% afgelezen. Op verscheidene plaatsen is de vochtigheid tot rond 10% gedaald en een tweede hygrometer op de toren van het KNMI in De Bilt wees ook een stand van slechts 9% aan. De datum van het record doet wellicht vermoeden dat het om een grap zou gaan, maar dat is niet het geval. Toch zijn de waarden twijfelachtig en zijn ze niet in de officiële database van de klimatologische dienst verwerkt. De operationele instrumenten gaven minder lage waarden aan.
Bron
De tekst op deze pagina of een eerdere versie daarvan is afkomstig van de website van het KNMI