De Spaanse troepen dienden de Nederlanden te verlaten;
De Staten-Generaal zou op eigen initiatief bij elkaar mogen komen en niet alleen op initiatief van de vorst;
Er moest een amnestieregeling komen voor de opstandelingen;
De oude privileges van de wereldlijke en kerkelijke instanties moesten worden hersteld (dit was een erkenning van de Spaanse vorst als koning);
Nederlandse edelen zouden moeten instaan voor het bestuur van de Nederlanden in plaats van Spanjaarden;
Willem van Oranje zou als regeringsleider in de Nederlanden fungeren naast de landvoogd.
De godsdienstkwestie (wat te doen met de katholieke en de protestante kerken) werd niet opgelost, maar doorgeschoven naar de eerste vergadering van de Staten-Generaal. De reden hiervoor was de interne verdeeldheid: de gewesten Holland en Zeeland waren overwegend Calvinistisch, de overige gewesten nog grotendeels katholiek. Wel werd afgesproken dat tot een definitieve overeenkomst de beide geloven naast elkaar zouden moeten bestaan.