Waarom zit het gat boven de zuidpool
Er zijn hier twee theorieen over, de chemische en de meteorologische:
De chemische theorie: Boven in de stratosfeer boven Antarctica zitten soms dunne ijle wolkenlaagjes. Deze kunnen ontstaan bij hele lage temperaturen. Op de ijskristallen kunnen stikstofverbindingen condenseren zoals HN03 (salpeterzuur) of N02 (stikstofdioxide). Normaal kunnen deze stikstofverbindingen een chloor (Cl) atoom onschadelijk maken door er een stof van te maken die niet meewerkt aan de vermindering van ozon. Wanneer de stikstofverbindingen op het ijs afgezet wordt zal er echter meer chloor overblijven. Dit chloor kan ozon (03) omzetten in Cl0 en 02 zodat er een vermindering van ozon is opgetreden. Als CFK's die ook chloor bevatten in aanraking met licht komen kunnen deze zich splitsen (deze chemische reactie wordt fotodissociatie genoemd) zodat er chloor vrijkomt met als gevolg dat er nog meer ozon zal verdwijnen.
De meteorologische theorie: De verdeling van ozon in de lage stratosfeer boven Antarctica wordt in de eerste plaats bepaald door transport. Het transport komt door luchtstromen in de stratosfeer. Deze luchtstromen zorgen ervoor dat grote hoeveelheden ozon van de tropen naar de polen wordt verplaatst. Zonder dit transport zou er namelijk helemaal geen ozon zijn boven de polen. In de winter en in het begin van het voorjaar bereikt deze stroming het continent niet. De grote ijsbedekkingen en de uitgestrekte oceanen om het poolgebied zorgen ervoor dat de lucht als het ware geïsoleerd is. Deze lucht is afkomstig van grotere hoogte en gaat in een draaiende beweging om de Zuidpool heen. In het voorjaar breekt de zon weer boven Antarctica door en dan geldt dat proces niet meer, en kan er weer lucht met ozon naar binnen stromen. De meteorologische theorie wijst er op dat er in het begin van het voorjaar voordat de geïsoleerde luchtstroom doorbreekt, er een opwaartse stroming is die vanuit de troposfeer wordt aangevoerd. Over de vraag hoe deze kan verschijnen is een aantal suggesties gedaan. De verhoogde absorptie van zonnestraling door de toename van de ijskristallen. Of door de stijging van de zeewatertemperatuur.