Tagoror  

Encyclopedie




Openbaar Ministerie

Openbaar Ministerie, afkorting OM, in die naam ligt een groot misverstand opgesloten. Het Openbaar Ministerie mag dan de naam ministerie dragen, het is geen ministerie zoals dat van Defensie of Sociale Zaken. Samen met de rechters vormt het Openbaar Ministerie de rechterlijke macht - zo staat het in de wet op de rechterlijke organisatie.

Het Openbaar Ministerie bepaalt wie voor de rechter moet verschijnen, en voor welk strafbaar feit. Het is de enige instantie die kan besluiten een persoon te vervolgen. Het werkterrein van het Openbaar Ministerie is het strafrecht. Het Openbaar Ministerie bemoeit zich niet met ontslagkwesties of met buren die ruziën om een overhangende boomtak. Zij moeten naar de burgerrechter om hun geschil te beslechten. Het Openbaar Ministerie komt pas in beeld als iemand een strafbaar feit begaat.

Table of contents
1 1. Wat doet Het Openbaar Ministerie?
2 In de rechtszaal
3 2. Wie controleert het Openbaar Ministerie?
4 3. De opbouw van het Openbaar Ministerie

1. Wat doet Het Openbaar Ministerie?

De taak van het Openbaar Ministerie ligt wettelijk vast. In de wet op de rechterlijke organisatie staat die taak aldus omschreven: `Het Openbaar Ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij wet vastgestelde taken.' Een voorbeeld van zo'n bijkomende taak van het Openbaar Ministerie is het toezicht op mensen die gedwongen worden opgenomen in een psychiatrische inrichting (de Wet bijzondere opname psychiatrische ziekenhuizen). De hoofdtaak van het Openbaar Ministerie is te verdelen in drie kleinere: de opsporing van strafbare feiten de vervolging van strafbare feiten en toezicht op de uitvoering van strafvonnissen

Opsporing

Als ergens een strafbaar feit is gepleegd, is het opsporingswerk een taak van de politie. Politiemensen zoeken naar sporen, horen getuigen en slachtoffers, houden verdachten aan en leggen alle gegevens schriftelijk vast in een proces-verbaal. De eindverantwoordelijkheid voor de opsporing ligt bij het Openbaar Ministerie. Vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie, de officieren van justitie, hebben daarom ook het gezag over de onderzoeken van de politie. Vooral als het om zware misdrijven gaat, geeft de officier van justitie direct leiding aan het onderzoek. Daarbij houdt deze in de gaten dat de opsporing zorgvuldig en eerlijk verloopt. Dat wil zeggen: volgens de regels die in de wet zijn vastgelegd.

Niet alleen het werk van de politie valt onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie is ook verantwoordelijk voor de opsporing door de gemeentelijke sociale recherches en de bijzondere opsporingsdiensten als de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), de Economische Controledienst (ECD) en de Algemene Inspectiedienst (AID). Om het opsporingswerk goed te kunnen doen, kan de officier van justitie de politie opdracht geven bepaalde dwangmiddelen te gebruiken. Bijvoorbeeld het in beslag laten nemen van gestolen voorwerpen of het aanhouden van een verdachte die niet op heterdaad is betrapt. Het Openbaar Ministerie is niet vrij om tijdens de opsporing te doen en laten wat het wil. Als het Openbaar Ministerie zware dwangmiddelen wil gebruiken, bijvoorbeeld huiszoeking of het afluisteren van de telefoon, moet het eerst toestemming vragen aan de rechter.

Vervolging

Zodra het Openbaar Ministerie de rechter in een strafzaak betrekt, is de vervolging begonnen. Soms is dat al voor iemand in de rechtszaal verschijnt. De rechter kan op verzoek van het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld opdracht geven iemand in voorlopige hechtenis te nemen, als deze ervan wordt verdacht dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. We spreken dan ook wel van voorarrest.

Het Sepot

Hoe gaat het Openbaar Ministerie om met strafzaken? Er zijn verschillende mogelijkheden. Soms besluit de officier van justitie niet te vervolgen: we zeggen dan dat hij de zaak seponeert. Zo'n beslissing noemen we een sepot. Er zijn verschillende redenen om niet te vervolgen. Bijvoorbeeld als de politie niet voldoende bewijs heeft kunnen verzamelen. In zo'n geval is sprake van een `technisch sepot'. Daarnaast is er het zogenaamde `beleidssepot'. In zo'n geval is er voldoende bewijs, maar besluit het Openbaar Ministerie bewust om iemand niet te vervolgen, bijvoorbeeld als er sprake is van een klein vergrijp en de dader de schade aan het slachtoffer heeft vergoed. Wie het er niet mee eens is dat een zaak wordt geseponeerd, kan daartegen in het geweer komen. Rechtstreeks belanghebbenden kunnen een klacht indienen bij het gerechtshof. Als het hof de klacht gegrond verklaart, moet het Openbaar Ministerie alsnog tot vervolging overgaan.

Transactie

De officier van justitie kan ook besluiten tot een transactie. In zo'n geval betaalt de verdachte een bepaald bedrag aan het Openbaar Ministerie en hoeft hij niet voor de rechter te verschijnen. Het Openbaar Ministerie besluit vaak tot een transactie als het gaat om vergrijpen die niet heel ernstig zijn. Bijvoorbeeld bij winkeldiefstal, of als iemand na een uit de hand gelopen ruzie een ruit bij de buren heeft ingegooid. Het geïnde geld gaat naar de staatskas. Steeds vaker besluit het Openbaar Ministerie eenvoudige strafzaken zo snel mogelijk af te doen met een transactie. Als een verdachte is aangehouden voor een eenvoudig vergrijp en op het politiebureau zit, kan vaak meteen worden besloten welk transactiebedrag iemand moet betalen. Lik op stuk noemen we dat. Bij een dergelijk lik-op-stukbeleid krijgt een verdachte direct een acceptgiro mee naar huis met het bedrag dat hij moet betalen. Wie niet betaalt, moet alsnog voor de rechter verschijnen. Deze werkwijze heeft zijn voordelen: de verdachte weet snel waar hij aan toe is, strafzaken blijven niet lang op bureaus liggen en de rechtbanken hoeven minder strafzaken te behandelen.

Dagvaarding

Als een sepot of een transactie niet aan de orde is, volgt de gang naar de strafrechter. Het Openbaar Ministerie zorgt dan dat de verdachte een dagvaarding krijgt: een brief waarin staat wanneer hij voor de rechter moet verschijnen en waarvan hij wordt verdacht. De opsomming van de feiten waarvoor een verdachte terecht moet staan, heet de tenlastelegging. De rechter kan een verdachte enkel veroordelen voor de feiten die in de tenlastelegging staan vermeld. Afhankelijk van de zwaarte van het strafbare feit wordt een zaak voorgelegd aan één of drie rechters.

In de rechtszaal

Komt het tot een rechtszaak, dan ziet de verdachte de officier van justitie voor zich in zijn rol van openbare aanklager. De officier van justitie vertelt tijdens de zitting waarvoor iemand terecht moet staan. Vervolgens neemt de rechter de tijd om de verdachte te ondervragen over de zaak. Ook de officier van justitie krijgt de gelegenheid om vragen te stellen. Daarna houdt de officier zijn requisitoir: een betoog waarin hij de rechter vertelt wat hij van de zaak vindt en een straf eist. Dat kan een geldstraf zijn, een taakstraf of een celstraf. Als de officier van justitie in de rechtszaal het woord voert, staat hij altijd. De rechter, die recht tegenover de verdachte zit, blijft altijd zitten. Om die reden worden leden van het Openbaar Ministerie ook wel de staande magistratuur genoemd. De rechters maken deel uit van de zittende magistratuur.

Straffen

Het Nederlandse strafrecht kent drie hoofdstraffen. De eerste is de celstraf. De tweede categorie is de geldstraf. Als laatste zijn er de taakstraffen. Er zijn twee soorten taakstraffen: allereerst is er de werkstraf, waarbij iemand onbetaalde arbeid verricht voor instellingen als gemeentenn, ziekenhuizen, Staatsbosbeheer of andere niet-commerciële instellingen. Daarnaast is er de zogenaamde leerstraf. Een voorbeeld is de cursus sociale vaardigheden, die de rechter nogal eens oplegt aan minderjarigen.

Maatregelen

Naast deze hoofdstraffen kan een officier van justitie de rechter vragen een maatregel op te leggen. Een voorbeeld is de onttrekking aan het verkeer van bepaalde goederen, bijvoorbeeld verdovende middelen, wapens of illegale kopieën van cd's. Een tweede voorbeeld is de ontnemingsmaatregel, bedoeld om een verdachte de winst af te nemen die hij met zijn misdrijven heeft gemaakt, bijvoorbeeld in het geval van diefstal, oplichting of handel in verdovende middelen. Een derde belangrijke maatregel is de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de veroordeelde een bedrag aan het slachtoffer moet betalen. Een bijzondere maatregel is de terbeschikkingstelling, afgekort TBS. Deze maatregel vraagt het Openbaar Ministerie bij verdachten met een psychische stoornis, voor wie dwangverpleging nodig wordt geacht. Verdachten aan wie de rechter deze maatregel oplegt, komen terecht in een speciale TBS-kliniek. Als de rechter een straf of maatregel heeft opgelegd, is het Openbaar Ministerie ervoor verantwoordelijk dat deze worden uitgevoerd.

Minderjarigen

Voor jongeren van 12 tot 18 jaar gelden andere regels. Minder ernstige vergrijpen zoals winkeldiefstal of vernieling handelt de politie meestal zelf af. Vaak gebeurt dat via een zogenaamd Halt-project. De dader moet dan een aantal uren werken. Bovendien moet de minderjarige de schade vergoeden. Zwaardere zaken komen op het bureau van de officier van justitie terecht. Deze kan zelf de zaak afdoen met een boete of een korte taakstraf opleggen. Als hij de zaak ernstig vindt, kan de officier van justitie er ook voor kiezen de zaak voor de kinderrechter te brengen. In het ergste geval kan die een minderjarige veroordelen tot een vrijheidsstraf. Voor minderjarigen zijn er speciale justitiële jeugdinrichtingen.

2. Wie controleert het Openbaar Ministerie?

Het Openbaar Ministerie moet dubbel verantwoording afleggen over wat het doet. In de rechtzaal is het de rechter die beoordeelt of het Openbaar Ministerie en de politie hun werk naar behoren hebben gedaan. De minister van justitie is politiek verantwoordelijk voor het handelen van het Openbaar Ministerie tegenover de Eerste en Tweede Kamer. Beslissingen over het algemene beleid komen daarom steeds aan de orde in de overlegvergadering: het geregelde overleg tussen Openbaar Ministerie en minister. Als regel houdt de minister zich bezig met het algemene opsporings- en vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie.

Alleen in uitzonderingsgevallen bemoeit de minister zich ook met op zichzelf staande strafzaken. De minister kan leden van het OM echter wel een aanwijzing geven: een opdracht hoe ze moeten handelen in strafzaken. De minister vraagt in zo'n geval eerst het college van procureurs-generaal om advies. Als de minister uiteindelijk besluit om het Openbaar Ministerie een aanwijzing te geven, krijgt de rechter daarover alle informatie. Per slot van rekening is het de rechter die uiteindelijk beslist wat er met een strafzaak gebeurt. Als de minister besluit om iemand niet strafrechtelijk te vervolgen, moet hij het parlement daarover informeren.

3. De opbouw van het Openbaar Ministerie

Bij het Openbaar Ministerie werken in 2003 ongeveer 2500 mensen. Onder hen zijn ongeveer 450 officieren van justitie. Aan het hoofd van de organisatie staat het college van procureurs-generaal. De procureurs-generaal bepalen het landelijke opsporings- en vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. Samen met de staf vormt het college het Parket-Generaal: het landelijke hoofdkantoor van het Openbaar Ministerie. De opbouw van het Openbaar Ministerie is gekoppeld aan de verschillende soorten gerechten in Nederland. Het eerste niveau is dat van het kantongerecht, daarna komen achtereenvolgens de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad der Nederlanden.

Parket-Generaal

Aan het hoofd van de organisatie staat het college van procureurs-generaal. De procureurs-generaal bepalen het landelijke opsporings- en vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. Samen met de staf vormt het college het Parket-Generaal: het landelijke hoofdkantoor van het Openbaar Ministerie. De opbouw van het Openbaar Ministerie is gekoppeld aan de verschillende soorten gerechten in Nederland. Het eerste niveau is dat van het kantongerecht, daarna komen achtereenvolgens de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad der Nederlanden.

De arrondissementsparketten

Nederland telt negentien rechtbanken. Het werkgebied van een rechtbank noemen we een arrondissement. In elke stad waar een rechtbank staat, heeft het Openbaar Ministerie zijn eigen kantoor: het arrondissementsparket. Elk parket staat onder leiding van een hoofdofficier van justitie. Deze is er voor verantwoordelijk dat het beleid van het Openbaar Ministerie in het arrondissement goed wordt uitgevoerd. Op elk parket werkt een aantal officieren van justitie. Zij vertegenwoordigen het Openbaar Ministerie bij de kantongerechten en de arrondissementsrechtbank. De officieren van justitie weten zich gesteund door parketsecretarissen en administratief medewerkers. Sommige zaken, zoals verkeersovertredingen en lichte misdrijven, handelen zij zelf af. Daarnaast doen ze voorbereidend werk voor de officier in zwaardere zaken. De negentien arrondissementsparketten zijn verschillend van grootte en hebben elk hun eigen karakter. De grootste parketten zetelen in steden als Amsterdam en Rotterdam, waar de misdaadcijfers het hoogst zijn.

De ressortsparketten

Verschillende arrondissementen vormen samen een ressort. In elk ressort bevindt zich een gerechtshof, met daaraan gekoppeld een eigen parket. Nederland heeft vijf gerechtshoven. Hun belangrijkste taak is het behandelen van zaken in hoger beroep. Als een verdachte of een officier van justitie niet tevreden is met het vonnis van de rechtbank, kan hij in hoger beroep gaan: vragen om een nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof. De officier van justitie draagt de strafzaak dan over aan het parket dat is gekoppeld aan het gerechtshof: het ressortsparket. Ook vertegenwoordigers van het ressortsparket treden namens het Openbaar Ministerie op in de rechtzaal. Zo iemand heet echter geen officier van justitie, maar advocaat-generaal. Aan het hoofd van elk ressortsparket staat een Hoofdadvocaat-Generaal.

Het Landelijk parket

Naast de arrondissements- en ressortsparketten is er nog een twintigste parket: het Landelijk Parket, gevestigd in Rotterdam. Dit parket is als enige niet gekoppeld aan een rechtbank of gerechtshof. Het Landelijk Parket houdt zich bezig met de aanpak van internationale vormen van georganiseerde misdaad. Die houden zich niet aan de grens van een arrondissement of ressort. In het bijzonder richt het Landelijk Parket zich op de ontwikkeling van financiële recherchemethoden. Daarbij valt te denken aan onderzoek naar het witwassen van crimineel geld. Het Landelijk Parket voert het gezag over het Landelijk Recherche Team, dat deze vormen van criminaliteit onderzoekt. Het Landelijk Parket houdt zich ook bezig met de coördinatie van de aanpak van zaken als terreur en mensensmokkel.

Het parket bij de Hoge Raad

Tenslotte is er het hoogste rechtsprekende orgaan, de Hoge Raad der Nederlanden. Ook aan dit rechtscollege is een parket verbonden, met aan het hoofd een Procureur-Generaal. Bij de Hoge Raad kunnen veroordeelden cassatie aantekenen tegen een rechterlijk vonnis. De Hoge Raad beoordeelt niet meer of de verdachte schuldig is, maar of de lagere rechter het recht juist heeft toegepast. Is dat het geval, dan laat de Hoge Raad het vonnis in stand; in het andere geval kan de Hoge Raad besluiten een uitspraak van de rechter te vernietigen, of bepalen dat een lagere rechter de zaak opnieuw moet bekijken. Bij de Hoge Raad vervult het Openbaar Ministerie een andere rol dan bij de rechtbank en het gerechtshof. Het Openbaar Ministerie eist in dit geval geen straf, maar adviseert wat er met de zaak moet gebeuren. Bovendien valt het parket bij de Hoge Raad niet onder het college van procureurs-generaal, en is het onafhankelijk van de minister.
Deze pagina is vrijwel ongewijzigd afkomstig van http://www.overheid.nl. Deze geeft dan ook (voorlopig) de situatie weer van het Openbaar Ministerie van Nederland. Daar staat wellicht ook een nieuwere versie.



Tagoror Networks: Spain  |  Philippines  |  Mexico

Los documentos de esta enciclopedia on line se publican bajo la Licencia de Documentación Libre GNU

De tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van toepassing zijn.