Nikita Sergejevitsj Chroesjtsjov (Никита Сергеевич Хрущёв) (17 april 1894 - 11 september 1971) was een Sovjet politicus en partijleider van de Communistische partij in de USSR van 7 september 1953 tot14 oktober 1964. Chroesjtsjov leidde de Sovjetunie na Josif Stalin.
Nikita Chroesjtsjov werd geboren in Kalinovka, provincie Koersk, Rusland en had geleerd voor pijpenlegger, Hij heeft ook als zodanig gewerkt in verschillende mijnen. Tijdens de Russische revolutie vocht hij in het Rode Leger. Hij steeg in de partijhiërarchie tot aan het politbureau. Tijdens W.O. II diende hij met een rang equivalent aan die van luitenant-generaal.
Na de dood van Stalin schokte Chroesjtsjov de gedelegeerden van het 20e partijcongres op 23 februari 1956 door publiekelijk de 'cultstatus' rond Stalin aan de kaak te stellen, en Stalin te beschuldigen van massamoord tijdens de grote zuiveringen. Hierdoor maakte hij zich onbemind bij de conservatieve fractie van de Partij. Hij werd niettemin premier op 27 maart 1958, na een serie langdurige en complexe manoeuvres, waarvan vooral de uitschakeling van de meest voor de hand liggende opvolger van Stalin, Beria, het hoofd van de KGB, belangrijk was.
Chroesjtsjov was eigenzinnig en impulsief; hoewel hij minder een terreurbewind voerde dan Stalin regeerde ook hij wel degelijk met een ijzeren vuist. Chroesjtsjov werd door zijn politieke tegenstanders beschouwd als een platvloerse, onbeschaafde boer, met de reputatie van het onderbreken van sprekers met beledigende opmerkingen. In een vergadering van de Verenigde Naties op 12 oktober 1960 werd hem door de Filippijnse afgevaardigde Lorenzo Sumulong gevraagd hoe hij kon protesteren tegen het westerse kapitalistische imperialisme terwijl de Sovjetunie op dat moment in snel tempo bezig was Oost-Europa te assimileren. Hij barstte in woede uit en riep tegen Sumulong dat hij "een eikel, een verrader en een lakei van het imperialisme" was, en trok daarna zijn schoen uit om er herhaaldelijk mee op de tafel te timmeren. Het Politburo ging door de grond.
Tijdens een topontmoeting van de grote vier in Parijs op 16 mei 1960 eiste Chroesjtsjov een verontschuldiging van president Dwight D. Eisenhower van de V.S voor de vluchten van de U-2 spionagevliegtuigen over de Sovjetunie. Eisenhower ontkende dat zulke vluchten plaatsvonden, waarop Chroesjtsjov een gevangen piloot uit de hoed toverde die bij zo'n vlucht was neergeschoten. Eisenhower had er tevergeefs op gerekend dat de piloot van het neergeschoten toestel, Gary Powers, zelfmoord zou plegen liever dan zich te laten gevangen nemen, en leed een groot gezichtsverlies.
Chroesjtsjov werd in 1964 afgezet, vooral ten gevolge van de Cubaanse raketcrisis en zijn persoonlijk optreden, die door de Partij beide als gezichtsverlies voor de Sovjetunie werden ervaren. Na zeven jaar huisarrest stierf hij in zijn huis in Moskou, USSR (nu Rusland) op 11 september, 1971. Hij ligt begraven op het kerkhof Novodevichy in Moskou.
Belangrijkste daden als sovjetleider
- Onderdrukte de Hongaarse revolutie.
- Initieerde het ruimtevaartprogramma waardoor de Spoetnik I en Joeri Gagarin werden gelanceerd.
- Brak een topontmoeting af om het Gary Powers-incident met het U2 vliegtuig.
- Ontmoeting met Richard Nixon in Iowa.
- Initieerde de plaatsing van kernraketten in Cuba, wat tot de Cubaanse raketcrisis leidde.
- Ondertekende in 1955 met Josip Broz Tito de verklaring van Belgrado waardoor de Informbiro eindigde.
Chroesjtsjov werd in 1964 opgevolgd door Leonid Brezjnev