Op 14 april 1960 schrijft de Franse criticus Pierre Restany in zijn eerste Manifeste du Nouveau Réalisme, te Milaan: ...De traditionele middelen zijn uitgeput; er is geen andere reactie mogelijk dan de afschaffing van het schilderij... In het tweede manifest, dat het jaar daarop verschijnt, verklaart hij: ...De nieuw realisten zien de wereld als een schilderij, een groot fundamenteel waarvan zij zich wezenlijke fragmenten eigen willen maken ... De groep is officieel samengesteld op 27 oktober 1960 en omvat Arman (Armand Fernandez), François Dufrêne, Raymond Hains, Jacques Mahé de la Villeglé, Wolf Vostell, Yves Klein, Martial Raysse, Daniel Spoerri, Jean Tinguely, Mimmo Rotella, en César (Baldaccini). Nadien voegen Niki de Saint Phalle, Deschamps en tenslotte Christo (Javacheff) zich bij de groep.
Een eerste collectieve manifestatie grijpt plaats op het Festival d'avant-garde, te Parijs in november-december van 1960. Daarop volgt al in mei 1961 een tweede expositie, in de Galerie J., onder het thema Quarante Degrés au-dessus de Dada.
De nieuwe realisten blijven actief, vervolgens in juni te Stokholm en in juli te Nice. Nog in 1961 en 1962 wordt hen een speciale zaal gereserveerd op het Parijse Salon Comparaisons. In juli 1961 zijn ze ook te zien op de expositie Paris-New York van de Galerie Rive droite en in juni 1962 zijn ze op de expo Donner à voir I van de Galerie Creuze.
Telkens wordt de kijker geconfronteerd met de banaal alledaagse dingen uit de straat van het onopvallende stedelijke milieu. Restany filosofeert over la poësie d'une civilisation urbaine.
De beweging wordt opgelost te Milaan, in 1970.
Alhoewel, binnen de Haagse kunst van de zeventiger jaren groeperen een aantal Nederlandse kunstenaars zich als De Nieuwe Realisten. Het zijn Pat Andrea, Peter Blokhuis, Walter Nobbe, Jurjen de Haan, en Maarten van Dreven. Ze hadden hun artistieke opleiding meegemaakt aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Het was vooral docent Co Westerik die ze stevig beinvloedde. Vaak verdringen ze het individuele kunstenaarsschap door gezamenlijke artistieke activiteiten, waarbij omvangrijke werken ontstaan, waaraan elk een eigen bijdrage levert.