Een neutron is, de naam zegt het al, een neutraal deeltje (dus zonder elektrische lading). Het komt voor in atoomkernen. Men spreekt van een subatomair deeltje. Alle atoomkernen op één na bevatten naast een of meer protonen een of meer neutronen. De enige uitzondering is 1H (de meest voorkomende vorm van waterstof), waarvan de kern uit alleen één proton bestaat. De massa van het neutron is bijna gelijk aan die van het proton, maar het neutron mist de positieve lading van het proton. De rustmassa van een neutron is 1.00894 atomaire eenheid (a.e.) Het deeltje kan vrijkomen bij kernsplitsing, bijvoorbeeld in kernreactoren en bij de explosie van een atoombom, maar het is in deze vrije toestand (dus buiten de atoomkern) niet stabiel. De halfwaardetijd (aangeduid met τ) is 12 minuten. Het vervalt tot een elektron, een proton en een neutrino. Dit is een voorbeeld van β-verval (elektronenemissie wordt betastraling genoemd). Vrijwel alle massa wordt daarbij doorgegeven aan het proton.
Neutronen spelen een belangrijke rol in kernreakties:
Zij kunnen ook gebruikt worden voor struktuuronderzoek: Ook kunnen ze worden gebruikt om positronen te maken. Dit gebeurt onder andere bij de onderzoeksreactor van de Technische Universiteit in Delft. Het neutron werd in 1932 ontdekt door James Chadwick, die daarvoor in 1935 de Nobelprijs voor de Natuurkunde ontving.