De Natuurontwikkelingsvisie is één van de drie visies op natuurbescherming die discussies over de juiste vormgeving ervan hebben gedomineerd. De andere twee visies zijn de Klassieke Natuurbeschermingsvisie en Functionele Natuurvisie. De Natuurontwikkelingsvisie scheidt natuur van andere menselijke activiteiten. De natuur zonder de mens staat centraal. Het ideaal is dat de natuur in reservaten zich kan redden zonder enig menselijk ingrijpen. Zij is zelfregulerend. De natuur zoals die was voordat de mens in onze streken ten tonele verscheen, is de referentie. Een dergelijke natuur, die geheel los staat van de mens kan men oernatuur noemen. In Nederland zijn natuurgebieden met geen of geringe bemoeienis van mensen verdwenen in de loop van de geschiedenis. Ze moeten daarom opnieuw ontwikkeld worden. Dat kan ook gebeuren in gebieden die nu een andere bestemming hebben dan natuur, bijvoorbeeld landbouwgebieden zijn. Daar kunnen nieuwe natuurgebieden ontwikkeld worden (R.M.N.O. 1988, bz. 26).
Een belangrijke wetenschap is de ecologie en dan met name het begrip ecosysteem. Belangrijk is dat een ecosysteem volledig is, dat wil zeggen dat alle functies aanwezig zijn en dat mensen niet hoeven in te grijpen om het systeem draaiend te houden. In een ideaal climaxbos zijn alle functies aanwezig en zijn de energie- en stofverliezen minimaal (Van der Windt 1995, blz. 185). Door dat deze kijk op de natuur de natuurontwikkelingsvisie sterk bepaalt, staat bij deze visie de volledigheid van het ecosysteem van het natuurgebied voorop. Natuurlijkheid van het gebied is belangrijker dan diversiteit of het herbergen van zeldzame soorten. Er wordt niet ingegrepen in de successie. Deze mag gewoon haar gang gaan (R.M.N.O. 1988, blz. 32).
De bossen dienen te bestaan uit inheemse boomsoorten. Exoten worden selectief omver gehaald waarna inheemse soorten zich spontaan op een dergelijke plek kunnen vestigen. Er worden voor het beheer drie soorten bos onderscheiden. Het eerste type is het natuurbos. Dit is het bos dat volgens het ideaalbeeld van de natuurontwikkelingsvisie beheerd wordt.
Het tweede type, het productiebos, moet gelegen zijn in gebieden die geen of weinig potenties bezitten voor natuurwaarden (R.M.N.O. 1988 , blz. 27). En als derde wordt ook het multifunctionele bos onderscheiden. Het bos heeft altijd een cen trale rol gespeeld bij deze visie en voorlopers van haar. Deze voorlopers waren al vroeg aanwezig in de Nederlandse natuurbeschermingsbeweging. Er was in de jaren voor de oorlog een invloedrijke groep onder leiding van de bioloog Weevers die in de reservaten geen beheer wenste. Dit zou leiden tot het ontstaan van climaxvegetaties oftewel bossen. Aan deze op vatting ligt een natuurbegrip ten grondslag die men oernatuur kan noemen: natuur zoals die zich ordent zonder menselijk in grijpen. Deze opvatting dolf in de jaren na de oorlog het onderspit tegen de Klassieke Natuurbeschermingsvisie, die er in slaagde natuur en soortenrijkdom te koppelen.
Maar men kan nog verder teruggaan de bosbouwer Van Schermbeek als belangrijke voorloper zien. Deze houdt in 1898 een pleidooi voor een bosbeheer dat zich spiegelt aan het oerbos (van der Windt 1995, blz. 169).
De natuurontwikkelingsvisie krijgt een een belangrijke impuls met de oprichting van de Werkgroep Kritisch Bosbeheer, later omgezet in de Stichting Kritisch Bosbeheer. Onder leiding van ecologisch geschoolde biologen als Van der Veen en Van der Lans strijden zij voor het natuurbos in Nederland. Dit was niet meer aanwezig in Nederland, maar deze werkgroep vond dat dit type noodzakelijk was om de natuur te leren kennen. Daarvoor moest in veel bossen het bosbouwkundig beheer ge staakt worden (Van der Windt 1995, blz. 186-200). Omdat vele soorten die van belang zijn voor de zelfregulatie ontbreken, is introductie geboden. Deze visie stelt zich dan ook veel minder terughoudend op ten opzichte van introductie van soor ten dan de vorige visie. In de huidige natuurontwikkelings visie nemen grote zoogdieren een belangrijke plaats in. Zij zijn verdwenen in de loop van de geschiedenis en deze verdwijning is de belangrijkste oorzaak van het incompleet zijn van de natuurgebieden. Grote grazers, zoals wilde koeien en paarden, hertensoorten zoals de eland en het edelhert zorgen voor een gevarieerde structuur van de begroeiing. Het effect van deze dieren is dat niet heel het gebied bos wordt, maar dat er tevens natuurlijke graslanden ontstaan (Vera 1998). Grote vleeseters zoals wolven en lynxenen spelen weer een belangrijke rol bij de regulatie van de aantallen van deze grote grazers. Bij de ontwikkeling van oernatuur moeten deze dieren weer geïntroduceerd worden. Daarvoor is het noodzakelijk dat de natuurgebieden grote oppervlakten beslaan (dit loopt in de duizenden hectaren). Andere maatregelen om het zelfregulerende karakter van een natuurgebied te bevorderen zijn het aanbren gen van meer reliëf in het gebied en te zorgen voor meer abiotische dynamiek (bijvoorbeeld meer overstromingen) (R.M.N.O. 1988, blz. 27). Het zelfregulerende karakter van de natuur staat op gespannen voet met jacht. Dit kan alleen bij wijze van hoge uitzondering geschieden om een natuurlijke evenwicht te herstellen (R.M.N.O. 1988, blz. 27). Ook de kadavers van grote dieren, zoals koeien, moeten niet afgevoerd worden, maar moeten blijven liggen. Ook de afbraak van deze dieren behoort tot het natuurlijk proces. Uitgestorven aaseters krijgen zo weer een kans.
Bij het beheer van moerasgebieden moet gezorgd worden voor een natuurlijk peilbeheer en een goede waterkwaliteit. Vera en Baerselman zien in de Flevopolder dat daar zich het moerasgebied de Oostvaardersplassen ontwikkelt zonder dat proces gestuurd word. De plassen groeien in dit gebied niet dicht doordat ze door de begrazing van grauwe ganzen opengehouden worden. Hierdoor geïnspireerd introduceren zij het idee dat in een natuurlijke situatie het bos niet het eindstadium is, maar dat er door toedoen van grote grazers ook bosweiden ontstaan (Vera 1998). Dit is een belangrijke toevoeging ge weest aan het cocept van de natuurontwikkelingsvisie. De Klassieke Natuurbeschermingsvisie beweert immers dat het uiteindelijke resultaat van de natuurlijke ontwikkeling monotone bossen zijn. Vera en Baerselman weerspreken dit: een zelfregulerend natuurgebied is wel degelijk gevariëerd door toedoen van de grote grazers.
Rond de eigenlijke natuurgebieden komen bufferzones te liggen. Hierin kunnen gebieden liggen die beheerd worden volgens de doelstelling behoud, die overeenkomt met de klas sieke natuurvisie (R.M.N.O. 1988, blz. 19). Hierin kan dan wel geoogst en gejaagd worden. De natuurgebieden moeten een netwerk vormen, een ecologische infrastructuur. Hierdoor kunnen soorten van het ene naar het andere natuurgebied verhuizen. Zo kunnen soorten als ze in een natuurgebied zijn uitgestorven, opnieuw dat gebied koloniseren. Ook kunnen op die manier verschillende populaties erfelijke eigenschappen uitwisselen. Dit komt de levensvatbaarheid van de populaties ten goede (R.M.N.O. 1988, blz. 18 en 19). Dit idee van de natuurontwikkelingsvsie heet in het beleid van de Nederlandse overheid vorm gekregen als de Ecologische hoofdstructuur
Het agrarisch cultuurlandschap wordt in drie type gebieden verdeeld. Het eerste type gebied bezit gunstige voorwaar den voor natuur. Deze worden onttrokken aan de landbouw en tot natuurgebied omgevormd. Het tweede type gebied wordt hoogwaar dig agrarisch gebied. Hier kan binnen milieuhygiënische en ecologische randvoorwaarden intensieve landbouw worden gepleegd. Hier kunnen grote kavels worden aangelegd, diepge ploegd worden en aan diepte-ontwatering gedaan worden. Door deze gebieden moeten ecologische verbindingszones aangelegd worden voor de ecologische infrastructuur.
Het derde type gebied wordt multifunctionele extensieve landbouw. Hier kan plaats zijn voor bepaalde recreatieve aspecten en bepaalde vormen van natuurbehoud zoals weidevogelbescherming. (R.M.N.O. 1988, blz. 29). Dit laatste is een interpretatie van het team van het rapport van het R.M.N.O. Belangrijke woordvoerders van de natuurontwikkelingsvisie, namelijk Vera en Bearselman hebben zich namelijk tegen de verwevingsstrategie, in het bijzonder de relatienota gekeerd (Van der Windt 1995, blz. 204).
Het Waddengebied wordt gezien als natuurgebied. Er moet zo min mogelijk menselijk ingrijpen plaatsvinden. Kwelders en schorren worden niet vastgehouden door middel van dammen. Ook de afbraak van deze gebieden hoort bij het functioneren van een dergelijk gebied. Ook een eiland als Rotummeroog wordt overgelaten aan natuurlijke processen. Er worden geen pogingen gedaan om het te behouden als het door een natuurlijk proces in een geul dreigt te verdwijnen.
Langs het IJsselmeer moeten er allerlei overgangen ontwikkeld worden in de vorm van binnen en buitendijkse moeras sen, lagunes en voorlanden. De successie in ondiepe gedeelten moet gewoon haar gang gaan, waardoor op den duur moerasbossen kunnen ontstaan. Riet- en biezenlanden moeten niet gemaaid worden. De restanten van de oude Zuiderzee zullen op den duur verdwijnen. Het heeft geen zin om zich in te zetten voor het behoud ervan.
Een speerpunt van de natuurontwikkelingsvisie vormen de uiterwaarden van de grote rivieren. In het plan Ooievaar wordt voorgesteld om binnendijken door te steken en de landbouw in zijn geheel uit dit gebied weg te halen en Heckrunderen (het resultaat van een poging om het uitgeroeide oeros terug te fokken door allerlei gedomesticeerde rassen, waaronder het fries stamboek en de spaanse vechtstier, te kruisen) en koniks (poolse paardjes die afstammen van de laatste exemplaren van het wilde paard in Europa) uit te zetten. Het plan Ooievaar won een prijsvraag van het ministerie van Landbouw en Visserij in 1985 over de inrichting van het rivierengebied. Vera was één van de indieners van dit plan (Van der Windt 1995, blz. 207).
Het plan Levende Rivieren van het Wereld Natuur Fonds bouwt hierop verder en stelt voor om nevenstromen aan te leggen langs de rivieren. De baksteenindustrie kan deze geulen herstellen door het onderliggende reliëf van geulen en ruggen te volgen bij het afgraven van het kleidek. (Wereld Natuur Fonds 1993). De Stichting Ark is nauw betrokken bij allerlei projecten om oernatuur te herstellen.
Externe linken:
literatuur:
Wereld Natuur Fonds: Levende Rivieren, Zeist 1993.
Windt, Henny van der: En dan: Wat is natuur nog in dit land? Natuurbescherming in Nederland 1880-1990 Amsterdam, Meppel 1995. (Ook verschenen als proefschrift Groningen 1995).
R.M.N.O.: Vijf visies op natuurbehoud en natuurontwikkeling; knelpunten en perspectieven van deze visies in het licht van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. R.M.N.O-publicatie nr. 30, 1988.
Ministerie van Landbouw en Visserij: Natuurontwikkeling: een verkennende studie. Tekst van Baerselman F. en Vera F.W.M., 's Gravenhage 1989.