Muziektheorie is de leer van systematiek in de muziek. Basisbegrippen hierbij zijn melodie, harmonieleer, toonladder, ritmiek, vormleer, enz.
Toonladders en toonsoorten
De westerse toonladder bestaat uit acht tonen. De eerste en de achtste toon hebben een interval verschil van één octaaf. De tussengelegen tonen hebben niet allemaal dezelfde afstand tot elkaar. Er zijn tonen die een hele toonsafstand ten opzichte van elkaar hebben, maar ook een halve toonsafstand. De meest voorkomende toonladders zijn de majeur of grote terts toonladder, en de mineur of kleine terts toonladder.
Alhoewel de toonladders die in de muzikale tradities van de wereld zijn ontstaan vaak flink verschillen, is de frequentie van tonen in een bepaalde ladder vaak af te leiden uit een betrekkelijk simpele wiskundige formule.
Een toonladder kan in elke toonsoort beginnen. Voor de grote terts toonladders geldt dat, om de hele-hele-halve-hele-hele-hele-halve-toonsafstanden in die volgorde aan te houden aan het begin van de notenbalk, of op de betreffende toonlijn één of meer kruisen (#) of mollen (b) muziektekens geplaatst moeten worden ter verhoging of verlaging van bepaalde tonen, zodat alle tonen binnen het octaaf van de toonladder aan het afstandsschema voldoen.
De vroege muziek uit de Griekse oudheid (zie ook pentatoniek) toont een ontwikkeling van de toonladders in toonsoorten, waarbij iedere toonsoort diatonisch is, maar op een andere toon begint.
Later werd het gebruik van verschillende en wisselende toonsoorten weer populair door de ontwikkeling van de jazz en andere 20-eeuwse muzieksoorten.
Een aantal mensen, waaronder vaak vocalisten en muzikanten, beschikken over een absoluut gehoor.
Melodie
Een melodie is een ritmische opeenvolging van tonen. In een muzikale compositie kan de melodie worden herhaald, eventueel afgewisseld met een refrein. Ook worden vaak variaties op de melodie gemaakt, bijvoorbeeld door een andere toonsoort te gebruiken, of door enkele noten te veranderen.
Harmonie
We spreken over harmonie, wanneer er meerdere en verschillende tonen tegelijk klinken. In de striktere zin wordt onder harmonie verstaan: de opeenvolging van akkoorden. In de ruimere zin wordt onder harmonie verstaan: de omgang met samenklanken binnen een stuk of stijl.
Rond 1600 onstond het harmonisch denken in akkoorden en het luisteren naar hun grondtonen. In deze functionele harmoniek zijn drie functies: Tonica (grondtoon), Dominant (spanningspunt) en Subdominant (ontspanningspunt). Door een afwisseling van spanning en ontspanning ontstaat de ervaring van een grondtoon en een toonsoort (tonaliteit). Een functionele accoordopeenvolging definieert de toonsoort en heet: cadens. Gedurende de drie opeenvolgende eeuwen (1600-1900) werden steeds ingewikkelder accoorden en cadensen gebruikt. Zo gebruikte bijvoorbeeld Chopin regelmatig passages met niet-functionele parallel-harmoniek, en ontwikkelde Wagner zwevende tonaliteit, waarbij een (functionele) grondtoon niet meer aanwezig of te herkennen is.
In het begin van de twintigste eeuw werd door een aantal componisten het werken met toonsoorten verlaten. Zo ontwikkelde Schoenberg atonaliteit, een opzettelijk grondtoonloze muziek, waarbij geen toon belangrijker mocht zijn dan de andere. Schoenberg noemde dit overigens zelf: pantonaliteit, maar deze term heeft geen algemene ingang gevonden. In navolging van Debussy en Ravel wordt in eigentijdse Jazz veelvuldig gebruik gemaakt van modale harmoniek en afwijkende akkoordbouw.
Ook een verzameling musici die met instrumenten over de straat macheren noemt men een harmonie al dan niet vergezeld van een fanfare (koperblazers) en een drumband (slagwerkers).
In niet-westerse muziek zijn andere notaties gebruikelijk.
Gerelateerde onderwerpen: Arrangement -- Arrangeur -- Atonale muziek -- Compositie -- Kruis -- Melodie -- Mol -- Muzieknotatie -- Muziekteken -- Muziekversiering -- Neume -- Notenbalk -- Solfège -- Tonaliteit -- Tonale muziek --Tonica -- Toonladder -- Toonsoort