Mohammed (محمد) was de naam van de grote profeet en stichter van de Islam. Hij werd in ca. 570 in Mekka (in het huidige Saoedie-Arabië) geboren en stierf in 632 in Medina, wat toen nog Jathrib heette. Mohammed was tevens degene aan wie, zoals moslims geloven, hun heilige boek, de Koran geopenbaard werd.
Mohammed kwam uit een arme tak van de machtige Arabische stam van de Qoeraish. Op zesjarige leeftijd werd Mohammed wees. Zijn vader was al voor zijn geboorte gestorven en zijn moeder overleed toen hij zes was. Tot zijn achtste was hij bij zijn grootvader in huis, maar toen die stierf werd zijn opvoeding voortgezet door zijn oom, Aboe Talib.
Bijgeloof, veelgodendom en geestenverering tierden welig in Mohammed's wereld. Mekka was in die tijd een belangrijk knooppunt voor de handel. Al die handelaars en andere reizigers namen hun geloven en afgodsbeelden mee, en vele daarvan werden in Mekka neergezet, vooral rond de Ka'bah, de heilige zwarte steen, die werd ingemetseld in het kubus-vormige gebouw dat op het plein van de later gebouwde grote moskee in Mekka staat en sinds Mohammed's dood het centrale punt van de islamitische bedevaart (de hadj) vormt. Daardoor werd Mekka gaandeweg ook een cultisch centrum. De Qoeraish waren vanouds de beheerders van de Ka'bah en dat legde hen geen windeieren. Mohammed groeide op in de stad, maar ontmoette voldoende rondreizende bedoeïnen en kooplieden uit allerlei windstreken om iets meer te weten te komen van deze geloven en bijgeloven. Zo nam zijn oom hem ten minste éénmaal mee naar Syrië. Daar kwam hij in aanraking met christenen, en pikte hij her en der inzicht op in politieke spanningen en ontwikkelingen. Ook moet hij iets hebben geweten van het Jodendom; er woonden in die tijd veel joden op het Arabisch schiereiland, zoals in Jathrib, waar drie grote joodse nederzettingen waren. Hij bemerkte tevens verschillen in leefwijzen van diverse stammen en geloofsgemeenschappen. Ook moet hij het onbehagen hebben opgemerkt bij groepen mensen in Mekka die niet deelden in de toenemende welvaart.
Hoewel dus vaststaat dat Mohammed al jong met allerlei geloven in aanraking kwam, is het niet duidelijk met welke stromingen precies, en hoeveel informatie hij kreeg. Wel duidelijk is dat zijn kennis van bijvoorbeeld de Bijbel oppervlakkig was. In de Koran worden bijvoorbeeld apocriefe en buitenbijbelse verhalen als bijbelse feiten genoemd. Een oorzaak kan zijn dat de Bijbel pas eeuwen later in het Arabisch vertaald zou worden. Wel worden Christenen en Joden in de Koran in één zin 'mensen van het boek' genoemd. Behalve het Jodendom kende Mohammed ook een derde monotheistische stroming, de Hanîf. Het meervoud hiervan, Hunafâ, komt twaalf keer in de Koran voor. Het waren mensen die zich hadden afgescheiden van het veelgodendom om de éne God, de schepper, te aanbidden. Mohammed noemt als voorbeeld Abraham, die uit het Chaldese Ur wegtrok om God te volgen en te dienen.
Toen hij 25 jaar oud was trouwde Mohammed met zijn werkgeefster, de 15 jaar oudere Chadidja, een koopmansweduwe met een goed gevulde portemonnee. Hij werkte voor haar als kamelenoppasser bij haar kooplieden en stond bekend als trouw en eerlijk; zijn bijnaam was al-Amîn, de betrouwbare. Na Chadidja's dood nam hij meerdere andere vrouwen. Hij was tegen die tijd al de leider van een groeiende umma (islamitische gemeenschap).
Op zijn 40e begon hij zich terug te trekken in een grot van de berg Hirâ in de buurt van Mekka, om te mediteren. Hier ziet hij visioenen en worden er woorden tot hem gesproken. Soera 96:1-5 vormt het begin van die 'openbaringen', die 22 jaar aanhouden, tot zijn dood in 632.