geschiedenis lichtmicroscoop
De eigenlijke uitvinder van de lichtmicroscoop is de Nederlander Cornelis Drebbel 1572?-1633 die overigens ook de thermometer uitvond. Zijn instrument vermocht echter nog niet veel. Verbeteringen kwamen van o.a. Christiaan Huygens en Jan Swammerdam. De laatste was ook de eerste die het met succes als een wetenschappelijk instrument ging gebruiken. Zijn opvolger Antoni van Leeuwenhoek ontdekte een goede methode voor het slijpen van sterk vergrotende glazen lenzen en bracht daarmee het instrument op een beduidend hoger plan. Toch was ook zijn microscoop niet veel meer dan een klein lensje in een houder. Deze houder diende vlak bij het oog gehouden te worden.
Van Leeuwenhoeks instrument is een voorbeeld van lichtmicroscopie, waarin gebruik gemaakt wordt van zichtbaar licht, dat wil zeggen dat deel van het electromagnetische spectrum met een golflengte λ tussen ca 300 en 650 nm. Verder wordt er gebruik gemaakt van het vermogen van lenzen om deze golven te kunnen focusseren (bundelen) in een brandpunt. Lichtmicroscopie is sinds van Leeuwenhoek's tijd uitgegroeid tot een ware familie van verwante technieken en subtechnieken, zoals:
Andere delen van het lichtspectrum kunnen ook gebruikt worden, zoals