Mathias Grünewald (ca. 1470-ca. 1528) werd geboren te Würzburg als Mathis Gothart Nithart (Neithart). Hij was de belangrijkste exponent van de laatgotische schildertraditie, samen met Albrecht Dürer. Niet enkel als schilder had hij veel succes, maar ook al technicus. Hij werkte aan het hof van de aartsbisschop van Mainz, maar werd er ontslagen wegens zijn protestantse sympathieën. Zijn meest bekende werk is het Isenheimer Hoogaltaar, een veelluik voor het vleugelaltaar. Het wordt thans bewaard in het Unterlinden-museum in Colmar, en lokt jaarlijks duizenden bezoekers. Hij bracht het meesterstuk tot stand tussen 1511 en 1517, in het destijds begoede Antonieterklooster van Isenheim, nabij Colmar, in opdracht van de preceptor Guido Guersi.
Zowel omheen de geboorte van Grünewald, of zijn jeugd, zijn opleiding of zijn werken zelf heerst dusdanige discussie, dat Hans Haug en Hans Naumann er, sedert 1930, "Das Grünewaldproblem" van maakten.
Hij overleed aan de pest in augustus 1528 te Halle.