In de kunstgeschiedenis valt het Maniërisme als kunststroming samen met de Laat-Renaissance. Oorspronkelijk negatief benaderd, ingevolge het afwijzen van de klassieke ratio uit de Hoog-Renaissance, kreeg het bij latere analyse toch een kwalitatieve erkenning, omwille van zijn emotionele subjectiviteit met het oog op het verhogen van het expressief vermogen. Afgeleid van het Italiaanse "maniera" (eigen karakter), wordt het Maniërisme beschouwd als overgang van de Renaissance naar de Barok en situeert het zich tussen 1520 en 1600. Het wordt gekenmerkt enerzijds door een veronachtzaming van de bestaande visie (dus reactie tegen de verstarring) en anderzijds door een overdreven benadrukking tot onnatuurlijkheid (tot zelfs wijzigingen van de lichaamsverhoudingen in de menselijke figuur, vandaar vaak bizarre constructies). Men wijst hierbij op de rumoerige geestelijke evolutie tussen Reformatie en Contra-Reformatie.
Het was van uit Florence, met Jacopo de Pontormo en G. B. Rosso, dat het Maniërisme zich naar de westerse schilderkunst uitspreidde. Ook Corregio en Parmagianimo van de Emiliaanse School waren van betekenis, terwijl Benvenuto Cellini eenzelfde stroming in de beeldhouwkunst bracht.
In Frankrijk presteerde de School van Fontainebleau maniëristisch.
In Duitsland komen Cranach en Wolf Huber aan bod, terwijl het Praagse Hof van Rodolf II ons Bartolomeus Spranger, Hans von Aachen en Joseph Heinz biedt.
In Noord-Nederland is de Haarlemse School waardevol voor het maniërisme, met Lucas van Leyden, Jan Gossaert, Maarten van Heemskerck, Abraham Bloemaert, Hendrik Goltzius en Cornelis Cornelisz.
In Zuid-Nederland gaat het om Pieter Aertsen, Frans Floris, Corneel Floris en Maarten de Vos.