De lichtsnelheid in vacuüm is 299.792.458 meter per seconde. Deze waarde is exact en volgt uit de SI definitie van de meter. Het getal wordt vaak afgerond naar 300.000.000 meter per seconde. Anders afgerond is dit 300.000 kilometer per seconde. In de 19e eeuw ontdekte men dat de snelheid van het licht in vacuüm altijd contant is. Dit bleek uit experimenten van Michelson en Morley. Ook als iemand zelf in beweging is met een lamp in zijn hand, gaan voor die persoon de lichtstralen in alle richtingen nog steeds met dezelfde snelheid. Dit geldt ook voor het licht dat vanuit een andere bron naar de persoon toe reist. De lichtsnelheid is in alle richtingen en onafhankelijk van de snelheid van de reiziger (vaak de waarnemer genoemd) gelijk. Dit is met de klassieke Newtoniaanse natuurkunde onverklaarbaar. Het was de relativiteitstheorie van Albert Einstein die een verklaring gaf voor dit gegeven.
De lichtsnelheid is de absolute maximale snelheid voor deeltjes en informatie. Een deeltje dat in rust geen massa heeft, zoals het foton reist altijd met de lichtsnelheid, een deeltje met massa gaat altijd langzamer; er zou een oneindige hoeveelheid energie nodig zijn om het tot de lichtsnelheid te versnellen. De theorie van Einstein laat echter ook de mogelijkheid van tachyonen toe: deeltjes die altijd sneller gaan dan het licht, en oneindig veel energie nodig hebben om tot de lichtsnelheid af te remmen. Of ze daadwerkelijk bestaan is nog volledig onbekend, en kan ook in beginsel niet worden aangetoond.
De lichtsnelheid in stoffen, zoals glas kan lager zijn dan de lichtsnelheid in vacuum, zie bijvoorbeeld het effect in de Wet van Snellius. Het is deze vertraging die het effect van lichtbreking in een prisma veroorzaakt; het bijbehorende getal staat bekend als de brekingsindex.
De Deense Harvard natuurkundige Lene Hau slaagde er in 1998 in om de snelheid van het licht te vertragen tot 17 m/sec, zo'n 61,2 km per uur. Zij deed dit door atomen af te koelen tot een miljoenste graad boven het absolute nulpunt. Atomen gaan zich dan gedragen als behorend tot een enkel superatoom. Deze toestand noemt men een Bose-Einstein condensaat. In 1999 slaagde de onderzoeksgroep erin om het licht zelfs volledig stil te laten staan. De tijdsduur dat het licht stil stond duurde slechts één milliseconde.
Aanverwante onderwerpen: