Tagoror  

Encyclopedie




Letter

De letters in het Latijns alfabet zijn klanktekens. Een hoeveelheid van 26 tekens zijn genoeg voor alle woorden. De letters zijn historisch als volgt ontwikkeld:

De eerste schriften bestonden uit gestileerde tekens voor concrete begrippen. Als men het woord voor waterkan wilde opschrijven, maakte men een tekening van een kan. Dit noemt men pictogrammen. Later volgde het gebruik van ideogrammen: het teken voor zon werd ook gebruikt voor begrippen als "dag" en "licht". Nog later verbond men pictogrammen met de klank van het woord (fonogrammen). Het teken van de waterkan kon bv. ook gebruikt worden in de zin "dat kan ik" of in het woord "kant". Pictogrammen, ideogrammen en fonogrammen werden door elkaar gebruikt en leverde een soort rebusschrift op. Voorbeelden hiervan zijn het spijkerschrift (3000 v. Chr, Sumerië) en de vroege hiëroglyfen (2500 v. Chr, Egypte). De Egyptenaren gingen het verst met de ontwikkeling tot klankschrift.

De Feniciërs (een zeevarend en handeldrijvend volk dat onder meer woonde waar tegenwoordig Libanon en Syrië liggen) zijn er uiteindelijk in geslaagd een succesvol klankschrift te ontwikkelen dat bestond uit 22 medeklinkers. Het is niet bekend wanneer dit eerste alfabet werd ontwikkeld, maar wel is zeker dat vele volkeren rondom de Middellandse Zee dit overnamen, en dat het rond 1000-500 v. Chr algemeen in gebruik was in die gebieden. Zo zijn het huidig Hebreeuws en Arabisch alfabet afstammelingen van het Foenicisch schrift.

Via de Griekse beschaving werd het alfabet door de Romeinen overgenomen (300 v. Chr). Omdat het Latijn wat andere klanken kende, veranderde er in de loop der eeuwen enkele kleinigheden in het alfabet. Wij noemen dit alfabet het Latijns schrift.

Uiterlijk

Grote invloed op de uiterlijke vorm van de lettertekens hebben de gebruikte schrijfmaterialen, het doel waarvoor men schrijft en de produktiesnelheid en de heersende opvattingen over stijl en schoonheid.

De Romeinen schreven met een rietpen op papyrusrollen. Het papyrus was ruw, waardoor men geen fijn schrift kon gebruiken en ook de rietpen leende zich daar niet voor. De Romeinse samenleving hechtte veel waarde aan ordening en geometrische vormen. Zo ontstonden de grote Romeinse kapitalen, die samenstellingen van vierkanten en cirkels zijn. Later ontwikkelde zich een makkelijker te schrijven variant van deze hoofdletters, de rustica of ook wel rotunda genoemd. Deze letters zijn wat smaller (en nemen minder van het dure papyrus in beslag) en hebben minder hoekige vormen.

Rond 300 raakte het gebruik van perkament en vellum (gemaakt van dierenhuiden) meer en meer in zwang. Het oppervlak hiervan was veel gladder en leende zich voor fijner schrift. In die tijd raakte ook het gebruik van de ganzenveer in zwang, die ook een fijner schrift kon produceren. Papyrus-geschriften moesten opgerold bewaard worden, maar het gebruik van perkament maakte het mogelijk de "codex" te ontwikkelen: afzonderlijke bladzijden ingenaaid en ingebonden in een kaft. Het zich steeds uitbreidende Christendom ontwikkelde een verfijnder vorm van de rustica: de unciaal. Kenmerken van deze letter zijn: de sierlijke ronde vorm, die geen stokken of staarten kent boven of onder de schrijflijnen. Bij de half-uniciaal zijn er enkele kleine stokken of staarten te herkennen. Het schrijfwerk speelde zich voornamelijk in de kloosters af. Met name in Ierse kloosters werd dit schrift verfijnd, en ontstond de gewoonte het schrift te versieren (verluchten of illumineren heet dit). Doel van het produceren van schrift was bij te dragen tot de Glorie van God en efficiëntie speelde geen rol. Uiteindelijk leidde dit tot de vervaardiging van "The book of Kells", waarvan beweerd wordt dat soms aan de vervaardiging van een enkele pagina een monnik zijn hele leven besteedde.

Na het uiteenvallen van het Romeinse rijk verviel de eenheid in gebruikte lettervormen en in verschillende centra in Europa ontwikkelden zich uiteenlopende schriftvormen, die slechts een ding gemeen hadden: het gebruik van stokken en staarten. Toen rond 800 door Karel de Grote weer een eenheid gesmeed was binnen Europa, verstrekte Karel aan enkele schrijfmeesters de opdracht een lettertype te ontwikkelen dat algemeen gebruikt zou worden in kloosters en wetenschappelijke instituten. De schrijfmeesters grepen terug op de unciaalvorm, maar werkten deze letter uit met stokken en staarten. Deze letter werd genoemd: de Karolingische minuskel. De schrijfmeesters stelden ook regels op voor het indelen van schrijfwerk: de hoofdtitel werd uitgevoerd in Romeinse kapitalen, subtitels in rustica of unciaal en de tekstblokken in de minuskel. Nog steeds was het zo, dat het schrijven door ambachtslieden werd uitgevoerd, in de kloosters en ook in de opkomende gilden voor schrijvers en verluchters. Koningen, edellieden en zeker het gewone volk konden niet lezen of schrijven. Wel is er een nieuwe groep die het lezen machtig wordt: de wetenschappers.

Omdat het schrijven door ambachtslieden geschiedde, die voor opdrachtgevers werkten, ontwikkelden zich geen persoonlijke handschriften en daarom was de vorm van de karolingische minuskel eeuwenlang in gebruik gebleven. Toch is er wel invloed op de lettervorm te ontdekken: zo ontstond er door kennismaking met oosterse beschavingen een ietwat amandelvormige variant en zeker de gotische stijl was van invloed op het lettertype: er ontstonden hoekige vormen. In Duitsland ging met het verst met deze hoekige vormen. Daar schreef men de letters extreem smal en hoekig, waardoor een star en lastig leesbaar schriftbeeld ontstond. Het Gotisch.

Tijdens de Renaissance ontstond in Florence en Venetië bij wetenschappers de behoefte om zelf de schrijfkunst te beoefenen, en men zocht naar een schriftsoort dat sierlijker was dan de plompe gotische vormen en ook makkelijker schrijfbaar. Uitgaande van de oorspronkelijk Karolingische minuskel ontwikkelde men het humanistische schrift, wat ietwat schuin geschreven werd (dat is makkelijker en sneller te produceren). Uiteindelijk ontwikkelde dit humanistisch schrift zich tot de cursief, ook wel italic genoemd. Dit elegante schrift, dat zeer ritmisch geschreven kan worden, leende zich uitstekend voor het uitbundig versieren van stokken en staarten met artistieke krullen.

Nadat rond 1500 de boekdrukkunst werd toegepast, ontwikkelde men de drukletter. Bij de eerste gedrukte boeken sneed men een hand-gekalligrafeerde pagina in spiegelschrift uit op een houten blok, maar de toenemende vraag naar boeken maakte deze methode te omslachtig. Daarom ontstond de methode waarbij men in verschillende grootte en typen losse letters vervaardigde, die samen een pagina vormden. De letters kon men later weer opnieuw voor een ander werk gebruiken. De vorm van de drukletter baseerde men op de Karolingische minuskel, hoewel in Duitsland tot 1940 gewerkt werd met gotische drukletters. Het ontwikkelen van drukletters en het opmaken van drukwerk leidde tot het ontstaan van nieuwe beroepen: de grafische ontwerpers. Dit vak wordt ook aan kunstacademies onderwezen. De computer verschafte de grafische ontwerpers vele nieuwe mogelijkheden. De beroepen van schrijver en verluchter werden overbodig.

Het gebruik van de boekdrukkunst leidde nog wel tot het ontstaan van een nieuw, handgeschreven lettertype. Op de koperplaat bleek men zeer fijne letters te kunnen graveren, en door toepassing van verschillende hulpmiddelen kon men buitengewoon fijne krulpatronen maken, veel verfijnder dan ooit met handschrift mogelijk zou zijn. De vorm van de ganzenveer kon deze fijne letter- en krulpatronen niet maken, maar na 1850 werd op grote schaal de metalen pen in produktie genomen, waardoor men met de pen het copperplate-schrift kon namaken: dit schrift kenmerkt zich door de schuine stand, de dunne ophalen en de dikke neerhalen, het aaneen schrijven van de letters met sierlijke ophalen en de lussen aan kop- en staartletters (ook wel het lopend schrift genoemd). Deze schrijfwijze is het schrift dat in Nederland op vele scholen tot in de jaren 1960 aan de kinderen op Nederlandse lagere scholen werd geleerd.

De belangstelling voor de oude kalligrafie herleefde rond 1850 als vorm van hobby. Nadat de Engelse huisarts Edward Johnston rond 1900 de oude lettervormen had bestudeerd, gaf hij een leerboek in 1906 uit voor kalligrafie. Johnston ontwikkelde ook nieuwe lettervormen. Mede door zijn werk groeide de hobby van het kalligraferen uit tot de zelfstandige kunstvorm, die het heden ten dage is. Nu kalligrafie een kunstvorm is, worden er vele alfabetten ontwikkeld, met zeer persoonlijke kenmerken.

Zie ook zondagsletter




Tagoror Networks: Spain  |  Philippines  |  Mexico

Los documentos de esta enciclopedia on line se publican bajo la Licencia de Documentación Libre GNU

De tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van toepassing zijn.