Vleugels
De vleugels van een vlinder zijn over het algemeen zeer groot, vergeleken met andere insectensoorten. De afmetingen varieren van enkele milimeters tot wel 30 cm, zoals bij de Atlasvlinder, een Aziatische nachtvlinder. Soms zijn de vleugels behaard; het lichaam vertoont verschiilende behaarde delen. De kleuren en afbeeldingen die vlinders zo aantrekkelijk kan maken worden veroorzaakt door hele kleine, holle schubben, die dakpansgewijs over elkaar de vleugels en het lichaam bedekken. Het pigment in die schubben geeft de vlinder zijn kleur. Soms creeërt de manier waarop de schubben gerangschikt zijn in combinatie met de lichtval en lichtbreking een prachtige metaalglans. Binnen een soort zijn vaak vele kleurmutaties te vinden. De beide seksen zijn in de meeste gevallen onderling verschillend van kleur en tekening (sexuele dimorfie). Een bijzondere variant is de laterale gynandromorfie, wanneer een vlinder precies in het midden is opgedeeld in mannetje en vrouwtje.
Achterlichaam
Het achterlichaam telt 10 segmenten; de laatste segmenten vormen de geslachtsorganen, een belangrijk identificatiekenmerk, zeker bij vlinders. Bij de mannetjes vormen de laatste 2 segmenten uitwendige organen, bij de vrouwtjes vormen de laatste 3 segmenten een soort inwendige legbuizen. Het leven van het imago is geheel gericht op de voortplanting. Het onbevruchte vrouwtje scheidt een lokstof (feromoon) af om mannetjes aan te trekken. Elke vlindersoort heeft z'n specifieke geur. Sommige mannetjes, zoals de Nachtpauwoog, zijn in staat de geur van een soortgenote op kilometers afstand te ruiken. Leefomgeving
De favoriete leefomgeving is voor iedere soort specifiek. Licht, temperatuur, vochtigheid en aanwezigheid van de voor de meeste rupsen specifieke voedselplant hebben grote invloed op de overlevingskansen van de vlinder. Het belangrijkst is na de voedselplant de temperatuur, maar de warmtebehoefte verschilt per soort; voor de meeste soorten ligt de ideale temperatuur tussen de 20 en 25 graden Celsius.