In de natuurwetenschappen is een kristal een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen. Zuivere stoffen zijn meestal in staat tot het vormen van kristallen. De wiskunde heeft ons een aantal modellen gegeven volgens welke atomen of moleculen zich tot kristallen kunnen ordenen; zo zijn voor bolvormige elementen bv. de zogenaamde kubische dichtste stapeling en de hexagonale dichtste stapeling mogelijk.
Zie verder ook kristalstruktuur. ‘Kristal’ betekent: ‘steen dat doorzichtig is als ijs’ of ‘doorschijnend glas van zeer hoge kwaliteit’.
Wat men in het dagelijks leven als kristal betitelt, zoals b.v. Swarovski-kristal is in werkelijkheid helemaal geen kristal maar een glas. Glas bestaat uit een mengeling van siliciumdioxide (voornaamste bestanddeel van kwartszand) en metaaloxiden. Door het te verhitten, smelt het tot een dikke substantie die makkelijk te vormen (blazen) is en door afkoeling hard wordt, waarbij geen kristalstructuur ontstaat: glas is eigenlijk, natuurkundig bezien, een sterk onderkoelde vloeistof. Glas waaraan in zekere mate lood is toegevoegd mag kristal heten. Volgens Europese regelgeving moet kristal meer dan tien procent loodoxide bevatten. Als het meer dan 30 procent lood bevat, is het hoog loodkristal zoals Swarovski (ca. 32 procent lood). Hoe hoger het loodgehalte hoe sterker de lichtbreking (en dus de schittering en het kleurenspectrum). Het is overigens niet gezond om in dergelijk sterk loodhoudend glas dranken te bewaren daar er bij langdurig contact van het glas met de inhoud meetbare hoeveelheden lood uit het glas in de vloeibare inhoud kunnen oplossen.