De kopertijd is een periode die ook wel als het laatste deel van de jonge steentijd wordt beschouwd, waarin de mens leerde het metaal koper te bewerken en er gereedschappen van te maken. De oudste kopervondsten stammen uit Anatolië, ca 8000 jaar voor Christus. Aanvankelijk werd alleen koper gebruikt zoals dat in de natuur voorkomt. Pas in het 5e millennium werd ontdekt dat bepaalde ertsen, wanneer ze verhit worden, ook koper opleveren. Hiervoor had men wel speciale ovens nodig: een gewoon houtkoolvuur wordt nooit warmer dan 700°C, en het smeltpunt van koper ligt bij 1085°C
Koper is een zacht metaal en niet erg geschikt voor gereedschappen. Door toevoeging van kleine hoeveelheden van een ander metaal, wordt het veel sterker. Het beste werkt hiervoor tin, bij de toevoeging van tin aan koper onststaat brons, de volgende belangrijke stap. Na verloop van tijd kwam brons meer algemeen voor, waarmee de kopertijd (of, als dit niet als een afzonderlijke periode wordt geteld, de steentijd) eindigt, en de bronstijd begint.
De ca. 5300 jaar oude ijsmummie Ötzi had tot verrassing van de archeologen een koperen bijl bij zich, wat de kopertijd in die regio een stuk naar voren verplaatste. In het koper van deze bijl is een aanzienlijk gehalte arsenicum aangetroffen. Waarschijnlijk is dit element gebruikt om het metaal koper een grotere hardheid te verschaffen voordat men uitvond dat de toevoeging van tin zich hier beter toe eigende.