meest voorkomende vormen van kleurenblindheid
Bij de meest voorkomende vorm, rood-groen kleurenblindheid, kan de aangedane persoon niet of niet goed onderscheid maken tussen rood- en groentinten. Dit is niet zeldzaam: ongeveer een op de twintig mannen. De meest voorkomende stoornis is hier deuteranomalie. Onvermogen rood te zien (1% van de mannen) of verminderd vermogen rood te zien (nog eens 1% van de mannen) komt minder voor. Geel-blauw kleurenblindheid komt minder vaak voor, en bij mannen en vrouwen even vaak. Het niet functioneren van alle soorten kegeltjes is extreem zeldzaam (ongeveer 1 op 10 miljoen). erfelijkheid
Rood-groen kleurenblindheid komt het meest bij mannen voor, omdat de betrokken genen op het X-chromosoom liggen. In tegenstelling tot mannen, hebben vrouwen twee X-chromosomen, zodat de recessieve afwijking kleurenblindheid bij vrouwen alléén voorkomt als beide X-chromosomen het afwijkende gen bezitten.
geschiedenis van het onderzoek naar kleurenblindheid
De Engelse scheikundige John Dalton publiceerde in 1794 het eerste wetenschappelijke artikel over kleurenblindheid, "Extraordinary facts relating to the vision of colours" (Buitengewone feiten over het zien van kleuren) nadat hij zich gerealiseerd had dat hij zelf kleurenblind was. Naar hem wordt kleurenblindheid nog wel eens daltonisme genoemd.
andere aspecten
Kleurenblindheid kan in het dagelijks leven hinderlijk zijn en iemand beletten bepaalde beroepen te uit te oefenen, zoals schilder of fotograaf. Ook b.v. electriciens die verschillend gekleurde draadjes moeten kunnen onderscheiden kunnen in moeilijkheden komen. Voor gevaarstekens en stoplichten is het onderscheiden van de kleur rood belangrijk. Een interessante overweging is dat deze erfelijke afwijking, die toch relatief vaak voorkomt, kennelijk evolutionair gezien niet wordt bestraft met een geringere voortplantingskans, anders was de afwijking allang nagenoeg uit de populatie verdwenen. Wellicht hebben kleurenzwakke en kleurenblinde personen een compensatoir voordeel, bijvoorbeeld het meer letten op patronen dan kleuren wat soms nuttig kan zijn, maar dit blijven speculaties. Veel zoogdieren (b.v. honden) hebben ook een duidelijk minder gedifferentieerde kleurwaarneming dan mensen, omdat ze van nature maar twee in plaats van drie soorten kegeltjes hebben. Veel vogels hebben er daarentegen zelfs vier. Insecten kunnen rood vaak niet, maar ultraviolet vaak weer wel waarnemen.
Externe link