Net als zijn broer Jan-Frans maakte Jozef Cantré deel uit van de Vijf (met Frans Masereel, Henri Van Straten en Joris Minne) die na de eerste wereldoorlog de Vlaamse houtgraveerkunst renoveerden. Geboren te Gent op 26 december 1890 stierf hij er op 29 augustus 1957. Net als zijn broer kreeg hij zijn artistieke opleiding aan de Gentse Academie. Van zijn achtentwintigste tot zijn dertigste werkte hij in Nederland. Hier werd hij bevriend met de Belgische kunstenaars Frits Van Den Berghe en Gust De Smet, waarbij hij meteen in het Vlaamse expressionisme terechtkwam. In 1930 keerde hij terug naar Gent en van 1941 tot 1946 was hij verbonden aan het Brusselse Hoger Instituut voor Toegepaste Kunst.
Jozef Cantré was niet alleen xylograaf. Hij was daarnaast een van de voornaamste Vlaamse beeldhouwers. Meteen wordt de verklaring gevonden, voor zijn monumentale vormenwereld in de houtgraveerkunst.
Zijn eerste beelden ontstonden al vanaf 1909. Invloed van Constantin Meunier en van Georges Minne, de ene meer realist de andere meer symbolist, valt niet te miskennen. Zijn emotionele vertolking is karakteristiek voor zijn sculpturen. Zijn meest bekende creatie is ongetwijfeld het standbeeld van Edward Anseele te Gent. Ook het beeld van Peter Benoit te Harelbeke ontwierp hij.
Van 1941 tot 1946 werd hij leraar aan het Ter Kameren-instituut te Brussel.
Jozef Cantré wordt aanvaard als de meest typisch expressionistische beeldhouwer in Vlaanderen.