Tagoror  

Encyclopedie




Jood

De term Jood wordt ook gebruikt als naam voor het element Jodium, zie aldaar.
Een jood of jodin is iemand die behoort tot het joodse volk. Volgens de orthodoxe joodse wetgeving ben je een jood of jodin:
  • als je moeder joods was, of
  • als je je tot het jodendom hebt bekeerd op grond van de joodse wetten.

Kortom: Je bent joods of je bent het niet. In de laatste paar decennia echter lijkt de behoefte aan een tweede mogelijkheid het "half-jodendom" in het leven geroepen te hebben. In Noord-Amerika zijn er mensen in Reform-kring die zich half-joods noemen. In de praktijk betekent dat vaak dat ze alleen een joodse vader hebben. Volgens de rabbijnen hebben zij geen deel aan het jodendom.

De term 'jood' (Hebr. יהודי - Yehudi) is afkomstig van de naam Juda (Hebr. יהודה - Yehudah), die de vierde zoon van de aartsvader Jakob was.

Oorspronkelijk was een Yehudi een lid van de stam van Juda. Later werden alle afstammelingen van Jakob zo genoemd. Jakob kreeg later de naam Israël en zo werd 'jood' synoniem met Israëliet. Dit moet niet verward worden met de situatie tussen de regering van koning Salomo en de ballingschap in Babylonië, toen het rijk was opgedeeld in het gebied van tien stammen 'Israël' en van twee stammen 'Juda'.

Een aantal Arabische instanties eisen een niet-joodverklaring van werknemers die door buitenlandse handelspartners naar hen toe gestuurd worden: hierdoor verklaren ze dat ze niet tot het joodse volk behoren. Een aantal regeringen heeft het afgeven van dergelijke verklaringen verboden.

Groeperingen binnen het Jodendom in de tijd van het Nieuwe Testament: Farizeeën -- Sadduceeën -- Boethusianen -- Essenen -- Qumrangemeenschap -- Zeloten -- Sicariërs -- Herodianen -- Samaritanen

Table of contents
1 Historie
2 Joden in de Bijbelse geschiedenis
3 Joden na de oudtestamentische tijd
4 Joden in de diaspora

Historie

De naam joden is ontleend aan het Hebreeuwse Yehudi, waarmee oorspronkelijk iemand behorende tot de stam Juda (Yehuda) werd aangeduid, later benoeming voor allen die tot het volk Israël, dwz. tot de afstammelingen van Jakob (= Israël) behoorden.

De joden (eigenlijk: Israëlieten) waren van oorsprong een volk uit Mesopotamië dat zich later aan de Middellandse Zeekust vestigde. Het ontstond ca. 2000 voor Christus in een tijd dat beschavingen het hele gebied van Eufraat en Tigris ten noorden van de Perzische Golf, inclusief Kanaän in het zuidwesten tot aan de Nijldelta beheersten. Zowel in Mesopotamië als Egypte heersten machtige dynastieën van de Sumeriërs en Akkadiërs al ongeveer een millennium lang.

De oorsprong van het joodse volk moet gezocht worden rond het einde van de derde dynastie van Ur (2070 - ca. 1950 v. Chr.), omstreeks de periode van de twaalfde dynastie van de farao's in Egypte en de eerste Babylonische dynastie (ca. 1800 - 1500 v. Chr.).

Joden in de Bijbelse geschiedenis

Aartsvader Abraham, wiens geschiedenis in het bijbelboek Genesis is beschreven, wordt volgens de overlevering beschouwd als de stamvader van het volk Israël. Abraham (toen nog Abram) was een nomaad, die van Ur in zuidwest-Mesopotamië naar Haran in noordwest-Mesopotamië trok. Daar gelastte God hem zijn land en familie te verlaten en in een ander land een eigen volk te stichten. Genesis 12:2: "Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn". Abraham gehoorzaamde en vertrok met zijn hele familie en al zijn dienaars en vee naar het land van de Kanaänieten in West-Palestina. Daar bivakkeerde de groep in tenten, groef waterputten voor mensen en vee en trachtte de periodieke droogte te overleven. Wanneer dat moeilijk werd verhuisde men tijdelijk naar de Nijldelta in Egypte.

Volgens de bijbelse geschiedenis sloot God met Abraham in Kanaän een plechtig en eeuwig verbond. Het teken daarvan was de besnijdenis. Deze gewoonte werd van vader op zoon doorgegeven. Nog altijd worden joodse jongetjes op de achtste dag na hun geboorte tijdens een religieuze plechtigheid besneden.

Via Abrahams zoon aartsvader Isaak, diens zoon Jakob en zijn twaalf zonen werd het geloof in de God van Abraham op het rap uitdijende volk overgedragen. Ook tijdens de vierhonderd jaar verblijf (het exacte aantal jaren is niet bekend) in Egypte (mogelijk van ca. 1850 - 1450 v. Chr.) bleef wat er reeds bestond aan eigenheid van geloof en riten bewaard.

Mozes, afkomstig uit de stam Levi en die volgens de bijbelse geschiedenis door de dochter van de farao werd opgevoed, leidde het volk Israël in opdracht van God het land Egypte uit (de Exodus). In de woestijn van de Sinaï ontving het via Mozes de Tien Geboden en overige wetgeving en werd een mobiele plaats van samenkomst, de tabernakel, gebouwd. Mozes' opvolger Jozua leidde het volk over de Jordaan het beloofde land (Kanaän) binnen. Na een periode van oorlog werd het land, verdeeld in stamgebieden, in bezit genomen. Een periode van richters, hogepriesters en profeten werd gevolgd door de periode van de koningen. Belangrijk in dit verband is, dat bij vrijwel elke nieuwe ontwikkeling die het volk (en soms een individu) doormaakte het verbond tussen God en Abraham plechtig werd bevestigd. Daarmee werd ook steeds opnieuw het hele joodse volk aangespoord God te gehoorzamen en Hem als enige God te dienen.

Joden na de oudtestamentische tijd

De tijdens de regering van Salomo gebouwde eerste tempel in Jeruzalem, en later de tweede tempel, gebouwd door uit Babylonië teruggekeerde joden, waren centra van onder meer de nationale viering van joodse feestdagen. Ook hield zich hier het puikje van de joodse religieuze geleerdheid op, werd er recht gesproken en onderwezen in de wet en andere joodse geschriften. Voor het levend houden van het nationale en religieuze bewustzijn was de tempel van groot belang.

In het jaar 70 na Chr. werd de tweede tempel ten gevolge van een grote joodse opstand door de Romeinen verwoest en werden meeste Joden weggevoerd, hetzij als krijgsgevangene, hetzij als slaaf (de 'tweede ballingschap'). Na de opstand onder leiding van Bar Kochba van 132-135 werd de joden door keizer Hadrianus voor altijd de toegang tot Jeruzalem ontzegd.

Joden in de diaspora

Verbonden door hun unieke, monotheïstische religie, zijn de joden door de eeuwen heen, ook in de diaspora, als groep apart gebleven, hoewel bepaalde bekeerlingen ook als joden worden gerekend; deze werden 'Jodengenoten' genoemd.

De joodse wetten uit de Torah (uitgewerkt in de Talmoed), waaronder de reinigingswetten en de wet op de Sabbat, alsmede de besnijdenis, de synagoge en de joodse feesten zijn overal ter wereld verbindende elementen geweest. Ook de jeshiva, speciaal joods onderwijs en de joodse religieuze leraars (Hebr.: rabbi, Jidd.: rebbe) hebben in hoge mate bijgedragen tot het behoud van het eigen joodse karakter van hun samenleving.

In de Nederlandse diaspora zijn joden globaal in twee periodes het land binnengekomen.

Eerst kwamen de Sefardische joden vanwege de jodenvervolging door de Inquisitie, vanuit Spanje of Portugal. Tot op heden zijn deze te herkennen aan achternamen zoals Pereira, Cardozo of Nunes.

Later kwamen Askenazische joden vanuit oostelijk liggende landen, verjaagd door de daar heersende vervolging, bijvoorbeeld uit Duitsland, Polen of Rusland. Aan de joodse achternamen is deze afstamming te zien, bijvoorbeeld Polak, Hamburger, Moszkowicz, van Praag.

Beide groepen leefden jarenlang geïsoleerd van elkaar, en hadden in Amsterdam elk een eigen synagoge.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ruim 100.000 Nederlandse Joden en familieleden vermoord in de Holocaust (ook wel op zijn Hebreeuws Sjoa genoemd) door de nazi's en hun handlangers.


Zie ook: Joden in Nederland - Jodendom - Tenach - Israël - Geschiedenis van Israël - Kanaän - Palestina - Diaspora - Antisemitisme, Jodenvervolging - Holocaust - Zionisme - Exodus - Hebreeuws - Jiddisch




Tagoror Networks: Spain  |  Philippines  |  Mexico

Los documentos de esta enciclopedia on line se publican bajo la Licencia de Documentación Libre GNU

De tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van toepassing zijn.