De Jom-kippoeroorlog, ook bekend als de Oktoberoorlog of de Ramadanoorlog, begon op Jom Kippoer 6 oktober 1973 en duurde tot 22 of 24 oktober, afhankelijk van het oorlogsfront. De oorlog werd geïnitieerd door een coalitie van Egypte en Syrië die een aanval inzetten tegen Israël. Ook Algerije, Irak, Koeweit, Libië, Marokko, Saoedi Arabië, Soedan en Tunesië stuurden soldaten, tanks en/of gevechtsvliegtuigen naar de strijd.
De oorlog
Op 6 oktober 1973, dat jaar Jom Kippoer, de heiligste dag van de joodse kalender, deden Syrië en Egypte een gecoördineerde verrassingsaanval op Israël. Het aanvalsleger had een omvang vergelijkbaar met de gezamenlijke NAVO-troepen die destijds in Europa gelegerd waren. Op de Golan hoogvlakte verdedigden zich 180 Israëlische tanks tegenover een overmacht van 1400 Syrische tanks; langs het Suezkanaal moesten minder dan 500 Israëlische manschappen in de Bar-Lev observatie linie het opnemen tegen 80.000 Egyptenaren.
De eerste twee dagen moest Israël terrein prijsgeven, maar na het mobiliseren van de reserve dreef het land de aanvallers terug tot diep in Syrië en Egypte. Twee weken na het begin van de oorlog kwam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in aktie (resolutie 339) en voorkwam daarmee een verpletterende militaire nederlaag voor Egypte.
Bij de Egyptisch-Syrische coalitie sneuvelden in totaal 35.000 soldaten, meer dan 15.000 raakten gewond, 8300 werden krijgsgevangen genomen. De Egyptische luchtmacht verloor 235 vliegtuigen en de Syrische 135. Aan de Israëlische zijde sneuvelden 2688 soldaten, raakten ongeveer 7000 gewond, 314 Israeliëers werden krijsgevangen genomen, en tientallen Israëliërs raakten zoek (17 zijn tot het jaar 2003 nog niet gevonden). Het Israëlische leger verloor 102 vliegtuigen en ongeveer 800 tanks.
Hoewel het Israëlische leger uiteindelijk de overhand had, wordt de oorlog toch aan zowel Arabische als Israëlische zijde meestal als een militaire nederlaag voor Israël aangevoeld.
Naar aanleiding van de oorlog: Egypte
Onderdanks de zwaren verliezen, was de verrassingsaanval voor Egyptenaren een eerherstel na de nederlaag die zij tijdens de Zesdaagse Oorlog hadden geïncasseerd. Toen Israël zich later uit Port Saïd terugtrok, trokken de Egyptenaren in een grote overwinningsparade de stad binnen. Israël bleef zich steeds verder uit de Egyptische gebieden terugtrekken, waarbij de Egyptenaren ook akkoord gingen met steeds grotere bufferzones.
Uiteindelijk werd in 1978 te Camp David een verdrag getekend, op basis waarvan Israël zich terug zou trekken naar de internationale grens en de gehele Sinaï gedemilitariseerd gebied zou worden. Een tweede verdrag dat men daar tekenende, regelde de Palestijnse zelfbeschikking naast Israël, maar daar voelde de Palestijnse leiding niet voor. Eén jaar later werd een vredesverdrag ondertekend. De ondertekenaars, Menahem Begin, Jimmy Carter, en Anwar Sadat, kregen hiervoor Nobelprijzen voor vrede. De Verenigde Staten waren de sponsors van alle verdragen.
De inkomsten uit de olievelden en de toeristensector in Sinaï, de verminderde militaire uitgaven en de financiële steun die Egypte ieder jaar sinds de terugtrekking uit het schiereiland van de Verenigde Staten ontvangt, vormen belangrijke bijdragen in de economie van Egypte tot heden ten dag (2004).
Naar aanleiding van de oorlog: Israël
Direct na de Jom-kippoeroorlog kwam in Israël een protestbeweging op gang, die onafhankelijk onderzoek eiste naar de vraag hoe de verassingsaanval mogelijk was. Nog vlak na de oorlog won de Arbeiderspartij onder leiding van premier Golda Meïr de verkiezingen; dat was de laatste keer tot 1999 dat de socialisten, die aan de wieg van de enige democratie in het Midden-Oosten stonden, een overtuigende verkiezingsoverwinning binnen zouden slepen.
De protesten bleven toenemen. Uiteindelijk werd de juridische commissie Agranat opgericht. In 1974, nadat de tussenresultaten van de commisie Agranat gepubliceerd werden, traden premier Golda Meïr en de minister van defensie Moshe Dayan af. Weliswaar waren de onderzoeksresultaten van de commissie niet nadelig voor hen, maar de protesten in het land namen alleen maar toe. Twee ministers die minder belangrijke posten hadden bezet in de impopulaire regering van Meïr, Yitzhak Rabin en Shimon Peres, streden voor het eerst om het leiderschap en zouden dat nog 17 jaar blijven doen. Rabin won uiteindelijk en werd premier. Peres werd minister van defensie. Opperbevelhebber David ("Dado") El'azar werd gedwongen om af te treden. Hij stierf drie jaar later aan een hartaanval.