Tagoror  

Encyclopedie




IJstijd

Een ijstijd is een periode waarin het klimaat op aarde sterk kouder was dan tegenwoordig en waarin grote delen van de continenten op het Noordelijk Halfrond met landijs en gletsjers waren bedekt. Sinds het begin van het Pleistoceen, zo'n 1,6 miljoen jaar geleden, zijn er tenminste 4 ijstijden of glacialen geweest, met een duur van tienduizenden tot honderdduizenden jaren. De ijstijden werden afgewisseld met warmere perioden (vergelijkbaar met het huidige Holoceen), die elk ongeveer 10.000-15.000 jaar duurden. Zo'n warmere periode noemt men een Interglaciaal of tussen-ijstijd.

De volgende vier ijstijden worden onderscheiden:

  1. de Günz-ijstijd of Cromer-ijstijd die ongeveer 600.000 jaar geleden begon en 540.000 jaar geleden eindigde. Tussen deze en de volgende ijstijd kan men dan nog de Günz-Mindel-interglaciaaltijd onderscheiden tijdens welke er sprake is van een warmteperiode.
  2. de Mindel-ijstijd of Elster-ijstijd genoemd en begon ongeveer 480.000 jaar geleden. De Mindel-Riss-interglaciaaltijd begon 370.000 jaar geleden en eindigde bij het begin van
  3. de Riss-ijstijd of Saale-ijstijd (240.000 jaar geleden). Als laatste begon de Riss-Würm-interglaciaaltijd zo?n 180.000 jaar geleden en
  4. de Würm-ijstijd of Weichsel-ijstijd van 130.000 jaar geleden. Het einde daarvan wordt beschouwd als het begin van het Holoceen (vroeger ook Alluvium genoemd, 10.000 jaar geleden); het tijdperk waarin wij nu nog leven.

De in vergelijking met nu koude periode van de 15e tot halverwege de 19e eeuw wordt wel de Kleine IJstijd genoemd.

Maar ook tijdens een ijstijd was het zeker niet continu zeer koud. Er waren perioden waar het landijs oprukte en perioden waarin het landijs en de gletsjers zich terugtrokken. Een korte periode in een ijstijd waar het relatief koud was, wordt een stadiaal genoemd. Een korte periode in een ijstijd waar het relatief warm was, wordt een interstadiaal genoemd.

Table of contents
1 Oorzaken ijstijden
2 IJsbedekking in Nederland
3 Landschapsvormen samenhangend met de landijsbedekking
4 Landschapsvormen uit de laatste ijstijd
5 Landschapsvormen buiten Nederland en Belgie
6 Grondsoorten die afgezet zijn in de ijstijden
7 Zeespiegelniveau tijdens de ijstijden
8 IJstijdrelicten
9 Korte ontstaansgeschiedenis van het landschap in Nederland
10 Mensen in de ijstijd

Oorzaken ijstijden

Het klimaat op aarde wordt beïnvloed door vele factoren, zoals de intensiteit van de zonnestraling, de ligging van de continenten en hun verplaatsingen, zeestromen, de bedekking van het land door vegetatie, het albedo (ofwel de mate waarin het zonlicht wordt teruggekaatst), de aanwezigheid van wolken in de atmosfeer, de chemische samenstelling van de atmosfeer en vele kleine andere factoren. Als belangrijkste externe factor voor het voorkomen van de pleistocene ijstijden wordt de hoeveelheid instraling van de zon op het Noordelijk Halfrond gezien. Deze instraling varieert aan de hand van cycli, de zogenaamde Milankovitch-cycli. Met name is van belang de variatie in excentriciteit van de aardbaan om de zon. Hoe bovengenoemde factoren precies met elkaar verband houden is niet duidelijk. Met behulp van klimaatmodellen wordt door wetenschappers een reconstructie van het klimaat en de klimaatsveranderingen in het verleden gemaakt. Alhoewel er een zekere consensus bestaat onder wetenschappers, zijn er nog vele onzekerheden en tegenstrijdigheden in dit onderzoek.

IJsbedekking in Nederland

Tijdens de voorlaatste ijstijd (Saale- of Riss-ijstijd) bereikte het landijs uit Scandinavië in twee stadia het noordelijke gedeelte van Nederland.

Tijdens het Amersfoort-stadium bereikte het ijs zijn maximale uitbreiding en kwam het tot grofweg via de lijn Haarlem, Amersfoort en Nijmegen.

De terugtrekking van het ijs ging niet mooi vloeiend. Er waren perioden dat die soms helemaal tot stilstand kwam. Eén van die perioden dat de terugtrekking van het ijs stagneerde was tijdens het zogenaamde Drenthe-stadium. De grens van het landijs lag toen in het noorden van Nederland op de lijn Emmen, Hoogeveen,Gaasterland, Wieringen en Texel. Op deze plaatsen werden lagere morenes gevormd.

Landschapsvormen samenhangend met de landijsbedekking

De landijsbedekking heeft vele sporen achtergelaten. Deze sporen kunnen worden vergeleken met sporen van huidige gletsjers en landijs in bijvoorbeeld Zwitserland, IJsland en Groenland. Zo weten we meer over hoe ze gevormd zijn. Bij landijs vinden we vooral morenes (met zwerfstenen), stuwwallen, puinzandwaaiers en glaciale bekkens. Deze structuren komen in noordelijk Nederland veel voor.

Gletsjers en landijs vervoeren puin. Na afsmelten van het ijs vormt dit de grondmorene, bestaande uit keileem. In deze keileem vinden we zeer grote zwerfstenen. Zo ontstonden onder andere de Hondsrug, en de heuvels Lemelerberg, Haarlerberg, Friezenberg, Markelose berg, Lochemerberg, Hettenheuvel, en de heuvels van Montferland.

Vaak ook stuwde de schuivende ijsmassa de bodem op; dan ontstonden stuwwallen die we vooral op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en bij Nijmegen vinden. Aan de geplooide lagen is duidelijk te zien dat dit oorspronkelijk horizontaal liggende materiaal opgestuwd is.

Het verschil tussen een morene en een stuwwal is dan ook het materiaal waar ze uit bestaan: morenes bestaan uit keileem en stuwwallen bestaan uit gestuwde, oudere grondlagen. De Torenberg ten westen van Apeldoorn is met 107m +NAPdede hoogste stuwwal van Nederland.

Een mooi voorbeeld van een morene landschap is de omgeving van Lichtenvoorde: zwak golvend en vol zwerfstenen van Scandinavische oorsprong.

Landschapsvormen uit de laatste ijstijd

Tijdens de laatste ijstijd (Weichsel of Wurm) was Nederland niet met landijs bedekt. De meest zuidelijke uitbreiding van het landijs was net ten noorden van Sleeswijk-Holstein.

In Nederland heerste een poolwoestijnklimaat. De wind had vrij spel en er werd op grote schaal dekzand afgezet, die soms ruggen vormden. Ook werden gedurende het laatste deel van deze ijstijd de rivierduinen of donken gevormd.

Ook kwamen veel pingo's voor. De overblijfselen hiervan heten pingoruines. Ze zijn herkenbaar als meertjes of vennetjes. In bijvoorbeeld Drenthe liggen tal van kleine meertjes die vaak erg diep zijn. Ze liggen op het plateau van Midden-Drenthe en vormen de gletsjerkommen van Smilde, Dwingelo, Gieten, Grollo, Hooghalen, Schoonveld, Orvelte, Gees, Sleenerzand, Appelscha, Mekelermeer en het Esmeer. Ook op de Veluwe komen pingoruines voor, bijvoorbeeld het Uddelermeer

Landschapsvormen buiten Nederland en Belgie

Enkele feiten: - In de alpen zijn vele dalen (U-dalen) gevormd door uitslijping door gletsjers. - Bij gletsjers in berggebieden vinden we karen en kartrappen (z.g. door gletsjers afgeslepen bergwanden en kammen), trogdalen en hangende dalen. Deze structuren komen in Nederland niet voor, maar uitsluitend in bergachtige gebieden. - In Noorwegen zijn de fjorden door de landijsbedekking uitgeslepen. - De Grote Meren in Noord-Amerika zijn gevormd tijdens de landijsbedekking in de laatste ijstijd.

Grondsoorten die afgezet zijn in de ijstijden

Het landijs bedekte Noord-Nederland, vandaar dat we in onder andere Drenthe reusachtige zwerfstenen (nu vaak in hunebedden) vinden. Het glaciale zand, afgezet door het ijs, bevat keien en heet keileem. Keileem treft men aan op Texel, in de Waddenzee, in Friesland, Groningen, Drenthe en op de Veluwe.

Niet door het ijs afgezet, maar wel afgezet gedurende de laatste ijstijd is löss. Dit is door de wind aangevoerd relatief fijn (qua korrelgrootte) materiaal en wordt in Zuid-Limburg aangetroffen.

In grote delen van Nederland is ook het dekzand afgezet. Dit is een enkele meters dik zandpakket dat eveneens door de wind is afgezet. Het vormt als het ware een dek en komt met name voor in het midden, zuiden en oosten van Nederland. Ook de donken die in het rivierengebied voorkomen, stammen uit deze periode.

Zeespiegelniveau tijdens de ijstijden

Gedurende de ijstijden was het nivau van de zeespiegel veel lager dan tegenwoordig. Het zeewater was opgeslagen in de ijskappen die tot 3km dik waren. Als gevolg stond de zeespiegel maximaal ongeveer 125m lager dan tegenwoordig. De Noordzee stond dus droog en mensen en dieren konden zich dus zonder probleem tussen het huidige Nederland en Engeland verplaatsen. Een ander bewijs voor het feit dat de Noordzee droogstond, wordt geleverd door vissers die soms mammoetbotten in hun netten vangen.

Ook andere ondiepe zeeën stonden droog tijdens de ijstijden. Zo stond de Beringstraat tussen Siberië en Alaska droog. Ook waren Tasmanië en Australië met elkaar verbonden.

IJstijdrelicten

IJstijdrelicten zijn planten of dieren die gedurende de ijstijden de grootste uitbreiding van hun areaal hadden, en die nu nog steeds daarom hier voorkomen. Sommige plassen worden bewoond door dieren die de ijstijd overleefd hebben, bijvoorbeeld een klein kreeftje dat verder alleen op Groenland voorkomt (Eurycercus glacialis), en de Geelgerande watertor, die ook in Lapland leeft. Van de planten uit de ijstijd vinden we de Zweedse kornoelje, de Zevenster en het Linnaeusklokje in Nederland

Korte ontstaansgeschiedenis van het landschap in Nederland

Het Pleistoceen

Aan het beging van het Pleistoceen (ongeveer 1,6 miljoen jaar geleden, de Neanderthalers leefden vanaf ongeveer 110.000 tot 170.000 jaar geleden) golfde de zee tot aan de Ardennen, het leisteenplateau van de Rijn en het Teutoburgerwoud, waarbij enkele hoger gelegen gebieden als Zuid-Limburg en Winterswijk boven water bleven. De Rijn, Maas en Schelde, maar vooral ook de niet meer bestaande rivier de Eridanos uit Scandinavië brachten veel puin aan, zodat een geweldige delta aan de mondingen ontstond: het Rijn-Maasdiluvium. Toen het peil van de oceaan daalde door de ijsvorming, mondde de Rijn bij de Doggersbank in zee uit. In de ijstijd kwam het Scandinavisch landijs tot ver in Nederland en legde een laag Scandinavisch diluvium op het Rijn-Maasdiluvium. Na de IJstijd smolt het landijs en stroomde de Noordzee vol en overstroomde de delta tot de grens der diluviale gronden, dat is Winschoten, Dokkum, Zwolle, het Gooi, de Langstraat, Bergen op Zoom en in het ondergelopen gebied bleven eilanden als Texel, Urk, Gaasterland en Vollenhove liggen.

Het Holoceen

Er bezonk zand uit de zee en toen de banken droogvielen vormden zich daarop de duinen. Achter de duinen ontstond een strandmeer of haf, waarvan de bodem bedekt werd met zeezand en klei; dode planten veroorzaakten een laag veen. Rond het begin van onze jaartelling ontstond het meer Flevo. In de Middeleeuwen braken de duinen op sommige plekken door en in het haf ontstonden de Wadden, de Zuiderzee en de Zeeuwse wateren. Het veen werd bedekt door zeeklei of bleef achter de duinen behouden, zoals in Holland, Utrecht, Friesland, Overijssel, achter Gaasterland en Vollenhove. De nieuwe zeeklei ligt het hoogst in Groningen en Zeeland door het verschil in eb en vloed. Rijn, Maas en Schelde maakten brede geulen en na overstromingen bezonk er rivierklei, hetgeen ook gebeurde langs de Vecht en andere kleinere rivieren (bijvoorbeeld de Aa in Noord-Brabant).

Mensen in de ijstijd

De eerste mensen en aapmensen leefden al voor het begin van het Pleistoceen in Afrika. Gedurende halverwege het Pleistoceen kwamen de eerste mensen naar Europa. Bekende vindplaatsen van sporen van mensen zijn de Balkan, Frankrijk en Spanje.

Ten tijde van het Pleistoceen heeft de mens van Heidelberg de aarde bewoond.

De Neanderthalers leefden tot zo'n 40.000 jaar geleden in Noord-West Europa.

De mens van Sternheim zwierf over de aarde tijdens de Saale-ijstijd. We weten iets over hem door de gevonden overblijfselen van de voorwerpen die ze maakten en de overblijfselen van hun eigen beenderen.

De eerste sporen van de moderne mens in Nederland zijn gedateeerd op het eind van de laatste ijstijd. Nederland werd toen bevolkt door de rondzwervende, jagende Hamburgcultuur.

In Siberië werden in 2003 boven ruim de poolcirkel door Russische archeologen resten gevonden van menselijke jagers (bewerkte stenen, botten van gejaagde dieren en gesneden mammoetivoor) die betrouwbaar op 30.000 jaar oud lijken te kunnen worden gedateerd en die stammen uit een periode in de laatste ijstijd waarin het tijdelijk wat warmer was; mogelijk hebben deze mensen Amerika al gekoloniseerd.




Tagoror Networks: Spain  |  Philippines  |  Mexico

Los documentos de esta enciclopedia on line se publican bajo la Licencia de Documentación Libre GNU

De tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van toepassing zijn.