Verdunnen en potentiëren
Homeopatische middelen worden bereid op basis van een zogenaamde oertinctuur, een geconcentreerd extract van plantaardige of andere oorsprong. Daarna begint het verdunnen, waarbij bij elke verdunning telkens flink moet worden geschud, het zogenaamde 'potentiëren'. Dit heet zo, omdat bij deze bewerking het middel geacht wordt aan kracht te winnen: de energiesignatuur neemt toe. Voor het verdunnen bestaan verschillende reeksen: de D-reeks (1 op 10), de C-reeks (1 op 100), de M-reeks (1 op 1000) en zelfs de LM-reeks (1 op 50.000). Verdunningen D1 (1 op 10), D2 (1 op 100) en D3 (1 op 1000) heten in de homeopathie oertincturen, die men onder fytotherapie rangschikt omdat "de werking daarvan voornamelijk fysisch, dus niet energetisch is".
In de klassieke homeopathie gebruikt men hoge verdunningen (vaak C200, d.w.z. een verdunning van 1 op 100-tot-de-macht-200) van een enkele stof, simplex-middelen geheten, dit in tegenstelling tot complexmiddelen, die zijn samengesteld uit een mengsel van bronbestanddelen.
Status
Homeopathie wordt door lang niet iedereen serieus genomen - vooral de reguliere geneeskunde verzet zich er veelal tegen. Een paar redenen:
- het is moeilijk te begrijpen (en zelfs onlogisch te noemen) dat een medicijn steeds sterker zou werken bij steeds lagere concentratie, vooral als de concentratie zo laag is dat in een dosis van het medicijn geen molekuul van de oorspronkelijke stof meer aanwezig kan zijn;
- bij dubbelblinde onderzoeken blijkt de werking van homeopathische medicijnen weinig (dat wil zeggen niet-significant) te verschillen van die van een placebo. Vanuit de homeopathe is daar weer de reactie op dat dubbelblind onderzoek in de homeopathie simpelweg niet mogelijk is, omdat de homeopatische behandelmethode die nu eenmaal niet het symptoom behandelt maar de patiënt als geheel;
- Homeopathie en natuurgeneesmiddelen worden - zeker door de leek - al gauw op een hoop gegooid.