Historiografie of geschiedschrijving is de geschreven interpretatie van het verleden. Een heel groot gedeelte van het verleden is volledig onbekend omdat het letterlijk en figuurlijk spoorloos verdwenen is. Geschiedschrijving is altijd een interpretatie. De historicus maakt een keuze uit het tot zijn beschikking staande materiaal. Een zekere mate van subjectiviteit is onvermijdelijk, omdat de geschiedschrijver de materie vanuit zijn eigen wereld, vanuit zijn eigen opvattingen en zijn eigen maatschappelijke situatie benadert. In academische kringen wordt onder 'Historiografie' ook vaak de studie naar de geschiedschrijving zelf bedoeld: geschiedenis van de geschiedschrijving.
Vormen van geschiedschrijving en visies op de Opstand.
Jan Romein (1893-1962) onderscheidde 6 fasen in de beeldvorming van de geschiedschrijving:
- Het beeld van de tijdgenoot (fase van de werkelijkheid zelf)
- De tijdgenoot die na het gebeurde kan terugkijken en de gebeurtenis kan "isoleren" en daarmee dus beschrijven (fase van de gezeefde werkelijkheid)
- De epische fase van het ononderbroken geschiedverhaal (een volledig maar op zichzelf nog zinloos verhaal)
- De dramatische fase van de geschiedvoorstelling, het verhaal wordt uitgezocht, gerangschikt en naar behoren in "bedrijven" verdeeld. Pas de na-tijdgenoot kan haar geven.
- Het beeld in eigenlijke zin. De bontheid van de veelsoortige overleveringen van vorige fasen worden tot enkele lijnen terug gebracht.
- De vrucht van de verwetenschappelijking van de historiografie. In plaats van het synthetische begrip treedt het analytische inzicht.
In de laat-middeleeuwse historiografie was de kroniek, die een chronologische opsomming gaf van wat er op één bepaalde plaats gebeurde, een geliefd soort. Onder invloed van de renaissance veranderde de historiografie in de 16de en volgende eeuwen fundamenteel.
Memoralistische werken, politiek-filosofische werken en historisch-geografische werken, meestal niet door geestelijken maar door leken geschreven, zagen het licht. De boekdrukkunst maakte een brede en aanhoudende verspreiding mogelijk. Al in de 17de eeuw was de Opstand een geliefd onderwerp.
Tijdgenoten gaven aan de Opstand twee betekenissen:
Deze thema's komen ook terug bij de twee grote 17de-eeuwse schrijvers Hugo de Groot (1583-1645) en Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647). Dit waren schrijvers uit de 4de fase. Ook Jan Wagenaar (1709-1773) past nog in dit rijtje met zijn 21-delige Vaderlandse Historie.
In de 19de eeuw verlangde de romantiek een scherp omlijnd beeld; een overzicht van een hanteerbare omvang (5de fase). Hieraan voldeed de Amerikaan Motley in 1856 met The Rise of the Dutch Republic (1555-1584). Sindsdien waren er bijna geen geschiedschrijvers meer die het nog hadden aangedurfd om een algemene geschiedenis over de hele Opstand te schrijven.
De anti-revolutionair en conservatieve staatsman G. Groen van Prinsterer (1801-1876) zag de Opstand als godsdienstoorlog met daarin een centrale rol voor de calvinisten. Ook R.C. Bakhuizen van den Brink (1810-1865), een protestants liberaal, sloot zich hierbij aan.
Het werk van de vader van de moderne Nederlandse historiografie, de Leidse historicus Robert Fruin (1823-1899) had een ander doel, hij benadrukte vooral dat de Spaanse regering vreemd en anti-nationaal was, en dat alle inwoners, katholieken inbegrepen, streden voor het behoud van oude rechten. Fruin introduceerde een nieuwe werkwijze; de onpartijdigheid, door objectief onderzoek. Fruin kende veel navolging wat echter niet leidde tot minder historiografische tegenstellingen. De historiografie raakte zelfs in zekere mate verwaterd.
Pieter Geyl (1887-1966) propageerde de Groot-Nederlandse gedachte, die de Nederlandse gewesten beschouwde als gehorende tot één gemeenschappelijke (16de-eeuwse) stam, met één taal en één cultuur.
Daar waar Bakhuizen nog meende dat de adel tijdens de Opstand gedegenereerd en passief geweest was werd dit door Enno van Gelder (1889-1973) ontkracht. Van Gelder ging echter zover dat hij de Opstand vergeleek met de Tweede Wereldoorlog hetgeen de Nijmeegse hoogleraar L.J. Rogier (1894-1974) een gevaarlijke wijze van voorstellen vond.
De katholiek Rogier kwam tevens tot een herwaardering van de rol van de katholieken in de Opstand. Zo bleef de verzuiling in de geschiedschrijving bestaan en was er vaak sprake van een vorm van politieke en religieuze geschiedschrijving omtrent de Opstand.
Later werd meer de nadruk gelegd op de invloed van de wereldeconomie op de sociale en politieke processen.
De Belgische historicus H. Pirenne (1862-1935) had in zijn Histoire de Belgique (1900-1932) vooral oog voor de stedelijke welgestelden die in zijn ogen uit louter economische overwegingen voor het calvinisme kozen. De katholieke leer had de vrije handelsuitoefening immers sterk beknot en er was een verbod op het maken van winst.
De marxist Erich Kuttner stelde in zijn Het hongerjaar 1566 (1946) dat de wanhoop en de honger het proletariaat tot de Opstand had gedreven. Daartegenover stelde H. van der Wee in 1968 juist dat armoede tot geestelijke afstomping, tot fatalisme en immobilisme leidt, terwijl betere levenscondities, door grotere onafhankelijkheid, het individualisme en rationalisme prikkelen en de kritische instelling van de massa verscherpen.
In de tweede helft van de jaren zestig van de twinstigste eeuw kwam de sociale geschiedschrijving naar boven door de opkomst van allerlei emancipatiebewegingen. Een representant hiervan is de historicus H. Soly, met zijn bijdrage in de Geschiedenis van Vlaanderen.
In de loop van de jaren tachtig ontstond de cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis met een sterke invloed vanuit de Franse school van de Annales.
De Engelsman S. Schama heeft dit thema zijdelings aangesneden in zijn omstreden werk Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw. Schama is een narrativistische geschiedschrijver. Hij bekommerde zich minder strikt om een wetenschappelijke benadering, maar wil vooral een boeiend verhaal schrijven waarbij beeldvorming niet wordt geschuwd. Schama legt bijvoorbeeld een verband tussen de strijd tegen het water en de Opstand (ondanks dat deze in Brabant en Vlaanderen is begonnen).
Het probleem van de synthese in de geschiedschrijving
Na de zesde fase van Jan Romein moet er eigenlijk een zevende fase komen waarin een meer wetenschappelijk verantwoord totaalbeeld ontstaat (de synthese).
Deze synthese wordt echter door een aantal factoren bemoeilijkt:
- toegenomen kennis
- meer invalshoeken (economische, sociale, internationale enz.)
- meer studies
- toegenomen specialisatie.
De Franse historicus F. Braudel introduceerde de gelaagd-structuralistische beschouwingswijze. Hij onderscheidt drie tijdslagen, waarin de geschiedenis zich afspeelt:
- gebeurtenissen op de lange duur; fundamentele veranderingen die voor tijdgenoten niet of nauwelijks zichtbaar zijn
- gebeurtenissen van middellange duur die met een zekere regelmaat weerkeren (conjuncturen); deze zijn van minder belang voor de verandering van de samenleving
- gebeurtenissen van korte duur; hierdoor wordt de loop van de geschiedenis nauwelijks beïnvloed.
Braudels concepten waren in de jaren 70 populair maar ondervinden tegenwoordig (in 2003) steeds meer tegenwind.