Tussen ca. 1860 en 1900, dus een 10-tal jaren na het Franse Barbizon-gebeuren en ongeveer gelijklopend met het al even Franse Impressionisme, kende men in het Hollandse Den Haag een aantal schilders, die er naar streefden, zowel interieur als landschap, op een opvallend realistische manier weer te geven. Daarbij viel het op, dat zowel het observeren van de dingen als het schilderend weergeven ervan aan het impressionisme niet zo vreemd waren. Deze typering merkt men het vroegst in het werk van Jozef Israëls, Johannes Bosboom en Hendrik Johannes Weissenbruch. Trouwens, deze laatste lag, in 1847 al, aan de basis van het ontstaan van het schilderkunstige genootschap Pulchri Studio, ten huize van de Haagse schilder Lambertus Hardenberg. Uit deze Pulchri Studio zou de Haagse School geboren worden en, in 1875, haar naam krijgen. Het was de criticus Santen Kolff die, in het tijdschrift De Banier, voor het eerst deze naam vermeldde in zijn artikel Een blik in de Hollandsche schilderkunst onzer dagen.
Ook Hendrik Willem Mesdag, Anton Mauve en Jacob Maris werden tot de groep aangetrokken. In het werk van Johannes Bilders, van Matthijs Maris en van de derde broer Willem Maris zal men dezelfde stijlweergave terugvinden.
De meeste van deze schilders hadden vooraf met het Franse Barbizon-werk kennis gemaakt, zodat de impressionistische stijlverwantschap niet eens verwondering hoeft te wekken. Overwegend grijze tonaliteit en vaak nevelige sluiertechniek laten het Haagse werk kennen.
Enkele van deze schilders, waarbij ook Albert Neuhuys, zullen zich later in Laren vestigen, waar dan de even bekende en even verwante Larense School zal ontstaan.
Durend tot het begin van de 20ste eeuw zal men ook Willem Tholen, Johan Edward Karsen, Isaak Israëls, Jan Voerman en Théophile de Bock tot de Haagse schilderschool rekenen. Zelfs de jonge Georges Breitner hoort erbij, voor hij met de Amsterdamse Impressionisten het stadsleven intrekt.
De nieuwe Haagse school
Totaal vreemd aan de groep impressionistische kunstenaars van de oorspronkelijke Haagse en/of Larense Scholen keren Haagse kunstenaars zich af van de experimentele Cobra-beweging, direct na de 2de wereldoorlog.
In de vijftiger jaren legt de groep Verve zich toe op een modern-figuratieve kunst en in de zestger jaren gaat de groep Fugare zich toespitsen op de abstractie.
Uit een combinatie van beide groepen ontstaat het werk van de Posthoorngroep, die algauw doorgaat als DE NIEUWE HAAGSE SCHOOL met Co Westerik, Jan van Heel, Herman Berserik, Willem Hussem en Jaap Nanninga.