De Hongaren (ook: Magyaren) deden hun intrede in Europa aan het eind van de negende eeuw, toen ze als nomadenvolk vanuit de Zuid-Russische steppe over de Karpaten trokken. Onder Árpád en zijn opvolgers vestigden zij zich in het Karpatenbekken, een gebied dat veel groter is dan het huidige Hongarije. Gedurende een eeuw waren ze door hun strooptochten de schrik van Europa. In de Slag op het Lechveld werd hun een dermate grote nederlaag toegebracht, dat ze de bakens verzetten en besloten zich aan te passen aan hun christelijke buren. De kroning van Stefan de Heilige als koning in het jaar 1000 werd daarvan het symbool. Hij was de eerste koning van Hongarije. Stefan oriënteerde zich op Rome en niet op Byzantium, een keus die tot op heden doorwerkt: in tegenstelling tot hun Servische en Roemeense buren zijn zij niet oosters-orthodox. Het koninkrijk kreeg in 1241 te maken met plunderingen door Mongoolse horden, waarop koning Béla IV besloot de grenzen te bewaken door burchten te bouwen en bevolkingsgroepen van elders te halen om de dunbevolkte grensstreken te bevolken. De Duitse aanwezigheid in sommige gebieden in Slowakije en Transsylvanië is hierop terug te voeren.
Het Hongaarse koninkrijk beleefde zijn grootste bloei in de vijftiende eeuw, toen de renaissancevorst Matthias Corvinus het land regeerde. Hij was de zoon van János Hunyadi, de Transsylvanische veldheer, die de Turken in 1456 bij Belgrado een belangrijke nederlaag had toegebracht. Mátyás breidde het rijk uit, hield het Turkse gevaar op afstand en bracht kunsten en wetenschappen tot bloei.
In 1526 moest Hongarije alsnog het hoofd buigen voor de Turken: de Slag bij Mohács luidde een 150 jaar durende Turkse bezettingstijd in, waarbij het land in drie delen uiteenviel: een Turks middendeel (inclusief vanaf 1541 de hoofdstad Boeda), een romp-koninkrijk onder Oostenrijks (Habsburg) bestuur in het noorden en westen, en een onafhankelijk Zevenburgen in het oosten, dat een vazal van Turkije werd, maar dat het centrum van de Hongaarse cultuur werd. In 1699 verjoegen de Oostenrijkers de Turken en kwam heel Hongarije in Habsburgse handen.
De achttiende en negentiende eeuw brachten verschillende opstanden tegen de Habsburgers, die alle mislukten: Ferenc II Rákóczy leidde van 1703-1711 de Kurucen-opstand, en in 1849 werd de opstand onder Lajos Kossuth bloedig neergeslagen. Deze laatste opstand wordt nog jaarlijks herdacht op 15 maart en leidde in 1867 alsnog tot de Ausgleich, waarbij Oostenrijk en Hongarije gelijkwaardige partners werden in een Dubbelmonarchie. De minderheden binnen het Hongaarse deel daarvan (Slowaken, Kroaten, Roemenen) hadden maar beperkte rechten en bestreden de magyarisering die hun vanuit Boedapest werd opgelegd.
Vanaf 1914 streed Hongarije vanzelfsprekend aan de Oostenrijkse kant in de Eerste Wereldoorlog, die verloren ging en tot het verlies van twee derde van het Hongaarse grondgebied leidde (Verdrag van Trianon, een onderdeel van dat van Versailles). In de naoorlogse chaos vestigde zich in 1919 onder Béla Kun in Hongarije een radenrepubliek naar sovjetvoorbeeld, maar deze redde het niet. Hongarije werd formeel opnieuw een koninkrijk.
Tijdens het interbellum stond dit koninkrijk onder het autoritaire bewind van admiraal Miklós Horthy, wiens politiek in het teken stond van revanche voor het drama van Trianon. Zo stond Hongarije in de Tweede Wereldoorlog opnieuw aan de verkeerde kant: Nazi-Duitsland leek immers de beste partner om het onrecht teniet te doen. Tot 1944 bleef Hongarije zelfstandig, maar op 18 maart werd het onbetrouwbaar geachte land alsnog door de Duitsers bezet en werden in slechts één jaar tijd vrijwel alle joden in het land afgevoerd.
De Sovjets verschenen in 1945 als bevrijders, maar bleken in de praktijk de veroveraars die ze in heel Oost-Europa waren. Hongarije werd in het Oostblok gemanoevreerd. De eerste partijleider was de stalinist Mátyás Rákosi. Na Stalins dood leek er ruimte voor veranderingen, maar het tragische einde van de Hongaarse opstand eind 1956 maakte duidelijk dat de Sovjets de baas waren en bleven. De hervormingsgezinde premier Imre Nagy vluchtte en werd later geëxecuteerd. Veel Hongaren vluchtten naar het westen, vooral jongere hoogopgeleiden. Onder János Kádár werden vervolgens kleine hervormingen doorgevoerd en werd Hongarije een relatief aangenaam Oostblokland, maar toch een Oostblokland.
Pas in 1989 werd Hongarije weer een vrije, democratische republiek en werden de communistische symbolen naar het museum verwezen. Sindsdien heeft zich in Hongarije in tien jaar tijd een tweepartijenlandschap ontwikkeld (de sociaal-democratische MSZP en de conservatief-liberale Fidesz regeren om beurten). Het land trad toe tot de NAVO (1999) en heeft in een referendum inmiddels ja gezegd tegen lidmaatschap van de Europese Unie, dat in 2004 zijn beslag zal krijgen.