De ontwikkeling van de twee Noorse schrijftalen
Inleiding
In Noorwegen heeft men twee officiële schrijftalen. Op zichzelf is dat niet vreemd, want in bijvoorbeeld België of Finland is dat ook zo en Zwitserland heeft er zelfs vier. Het opmerkelijke aan de Noorse taalsituatie is dat de twee talen, bokmål en nynorsk geheten, in hoge mate aan elkaar verwant en onderling zeer goed verstaanbaar zijn. Bovendien worden ze niet gesproken door twee bevolkingsgroepen die etnisch of anderszins van elkaar verschillen en zijn er geen duidelijke taalgrenzen aan te wijzen. Om uit te leggen hoe het zo ver heeft kunnen komen, moeten we de geschiedenis in.
Historische achtergrond
Tot ongeveer het jaar 1000 n.Chr. werd in alle Scandinavische landen dezelfde taal gesproken: het Oudnoords. Na dat jaar groeiden de talen in de verschillende landen geleidelijk uit elkaar. In Noorwegen ontstond zo het Middelnoors. Verder waren er binnen Noorwegen veel regionale verschillen in spreektaal: de dialecten.
In 1397 raakte Noorwegen zijn status als zelfstandig koninkrijk kwijt. Het werd opgenomen in een personele unie met Denemarken en Zweden, de Unie van Kalmar. De machtigste staat binnen deze unie was Denemarken. Door de grote pestepidemieepidemie van 1349 ('svartedauden') raakte Noorwegen het grootste deel van zijn adel kwijt en kwam het in een ernstig verzwakte positie binnen de Unie. De lege plekken die in de hogere lagen van de Noorse samenleving waren gevallen, werden voornamelijk opgevuld door Denen.
In 1521 slaagde Zweden erin zich van de Unie los te maken. In Noorwegen was een groot deel van de ambtenarij Deens. Bovendien werden de Noren opgezadeld met wetteksten en een bijbelvertaling in het Deens. In de kerken werd na de reformatie Deens gesproken in plaats van Latijn; voor de meeste Noren geen groot verschil. Zo werd het Deens de schrijftaal in Noorwegen. De Noorse taal handhaafde zich in de dialecten van het platteland. In 1536 werd Noorwegen opgeheven. Het werd een provincie van Denemarken.
Na een voor Denemarken rampzalig verlopen oorlog werd Noorwegen in 1814 aan Zweden toegewezen. Het kreeg een eigen parlement en grondwet, maar moest de Zweedse koning erkennen. De taalsituatie in Noorwegen in 1814 was als volgt: in de hogere bevolkingslagen van de steden werd Deens gesproken, maar met een Noorse uitspraak (de uitspraak van het Deens in Denemarken week (en wijkt) erg af van het schriftbeeld). Op het platteland, voornamelijk in West-Noorwegen, hadden de dialecten redelijk stand weten te houden, maar het spreken van dialect werd door de hoogopgeleide stedelingen als onontwikkeld beschouwd. Op de scholen werd in het Deens onderwezen en in de kerk werd in het Deens gepreekt.
De ontwikkeling na 1814
Nu Noorwegen meer vrijheid had gekregen, gingen er stemmen op om naar een eigen, Noorse schrijftaal te streven. In de eerste jaren van de personele unie met Zweden was men bang voor Zweedse invloed op de Noorse taal en probeerde men vast te houden aan het Deens, maar het bleek dat de Zweden zich niet bemoeiden met het Noorse taalvraagstuk. Rond 1830 was de schrijftaal een nationaal probleem geworden. Er bestonden verschillende opvattingen over hoe de Deense schrijftaal vervangen zou kunnen worden door een Noorse. De belangrijkste twee stromingen waren:
- Het vernoorsen van de bestaande Deense schrijftaal. Dit moest geleidelijk gebeuren, door middel van het toepassen van spellingwijzigingen en het toelaten van specifiek Noorse ('særnorske') woorden.
- Het creëren van een geheel nieuwe Noorse taal op basis van die dialecten die de oude Noorse vormen en woorden het best bewaard hadden: die van West-Noorwegen.
Hier volgt een nadere beschrijving van deze twee stromingen. Vernoorsen van de schrijftaal
De eerste die deze optie voorstond, was de dichter Henrik Wergeland (1808-1845). In 1835 pleitte hij in een artikel voor het opnemen van Noorse woorden en vormen in de schrijftaal om er geleidelijk echt Noors van te maken. De leraar Knud Knudsen (1812-1895) werkte Wergelands idee verder uit. Hij ging uit van het principe dat het schrift de uitspraak van de woorden zo goed mogelijk moest weergeven. Als standaard voor de uitspraak nam hij de uitspraak van de hoger opgeleiden in de steden ('den dannede dagligtale'). In 1887 besloot het parlement dat het taalonderwijs in de scholen gebaseerd moest zijn op de Noorse uitspraak. Daardoor was het nodig nog meer hervormingen in de schrijftaal door te voeren, bijvoorbeeld 'harde' medeklinkers in plaats van 'zachte' (het Deens schrijft b,d,g waar het Noors p,t,k schrijft: Deens 'skib', 'fod', 'rige'; Noors 'skip', 'fot', 'rike'). In 1907 werden deze en andere ingrijpende veranderingen in een spellingwijziging doorgevoerd. De taal die zo ontstond werd riksmål, rijkstaal, genoemd.