Tagoror  

Encyclopedie




Geschiedenis van de muzieknotatie

Het ontstaan van muzieknotatie is een typisch westerse ontwikkeling. De meeste andere culturen kennen wel muziek, maar de overdracht vindt meestal op van het oor van de leraar naar de leerling plaats. In West-Europa ontstond er echter tijdens het Karolingische Rijk behoefte aan een betere vastlegging van muziek. Deze behoefte was deels religieus, deels politiek. De Frankische koningen wilden graag wat meer eenheid in hun rijk aanbrengen en hun wens was nauw verbonden met de wens van de Paus om geheel Europa Katholiek te willen maken. Men wilde graag dat op dezelfde dag in heel Europa in alle kerken precies dezelfde gezangen te horen waren.

Vóór deze tijd hadden de Grieken al pogingen gedaan om muziek te noteren, maar deze kunst was grotendeels vergeten, hoewel men al wel de noten van een bepaalde toonladder aangaf met letters A-B-C-D-E-F-G. Deze letters gaven echter geen informatie over de grootte van de toonafstand tussen twee tonen en dus ook niet over welke modus of toonladder het hier ging.

Het begin van de Westeuropese ontwikkeling is het neumenschrift. Dit was een stelsel tekentjes dat aangaf hoe een bepaalde gezongen lettergreep onderverdeeld werd, of een noot lang was, of hij de klemtoon had en ook, tot op zekere hoogte, of een melodie omhoog of omlaag ging.

Table of contents
1 Notenbalk
2 Muzieksleutels
3 Kruisen en mollen
4 Ritmische en metrische notatie
5 Systemen van notenbalken
6 Metrische aanduidingen
7 Dynamische aanduidingen
8 Romantiek
9 Moderne tijd

Notenbalk

Een latere ontwikkeling was de toevoeging van een lijn aan het neumenschrift. De neumen werden dan boven of onder die lijn geschreven. Dit gaf al iets meer informatie over de melodie. Later werden er drie of vier lijnen getrokken en daaruit is de huidige notenbalk met zijn vijf lijnen ontstaan.

Muzieksleutels

Met het ontstaan van meerstemmige muziek ontstond er behoefte aan een betere vastlegging van de onderlinge toonhoogtes van de stemmen. Men ontwikkelde daarom muzieksleutels. Er waren drie sleutes:
  1. een lage (F-sleutel),
  2. een middensleutel (C-sleutel) en
  3. een hoge sleutel (G-sleutel).
Deze sleutels konden aanvankelijk op ieder van de vijf lijnen geschreven worden en om het gebruik van hulplijntjes te beperken (dat kostte maar
perkament) wisselde de positie van de sleutel ook vaak. In later tijden, vanaf de barok tot in de klassieke tijd, werd de positie van de sleutel uiteindelijk gestandaardiseerd tot een G-sleutel op de tweede lijn van onder en een F-sleutel op de tweede lijn van boven. De C-sleutel wordt nog gebruikt voor muziek voor altviool en de zangstemmen alt en tenor.

Kruisen en mollen

Pas in de 11e eeuw ontstond er een notatie om het verschil tussen hele en halve toonsafstanden vast te leggen (anders dan als vast deel van de gebruikte modus of toonsoort). Deze uitvinding is te danken aan Guido van Arezzo. Hij voerde het hexachord in met de Guidonische lettergrepen:

ut -- re -- mi - fa -- sol -- la

Het slimme van het hexachord is dat er maar op één plaats een halve toonsafstand in voorkomt, nl. tussen mi en fa. Halve toonsafstanden konden dus nu aangeduid worden door de onderste toon mi te noemen of de bovenste fa. Het werd al gauw duidelijk dat de toon B, afhankelijk van in welke toonreeks hij voorkwam ofwel als mi, ofwel als fa fungeerde. Men noemde het eerste een vierkante b (b quadratum), het laatste een ronde b (b rotundum). Vanuit deze twee tekens hebben zich de huidige kruisen (en herstellingstekens) en mollen ontwikkeld. Hoewel oorspronkelijk deze tekentjes alleen gebruikt werden om aan te geven of een B nu mi of fa was, begon men ze al snel ook voor aandere tonen te gebruiken.

Ritmische en metrische notatie

In de tijd van de Ars Antiqua (voor 1300) experimenteerde men al met aanduidingen van de lengteduur van een noot en had men al aanduidingen van bepaalde metrische verhoudingen (een steeds weerkerende nadruk op de zoveelste tel). Men kende in die tijd al een onderverdeling in tijdsduur van maxima - longa - brevis. Overigens pasten er drie, danwel twee breves in een longa. Hetzelfde gold voor de verhouding maxima - longa. In die tijd was mogelijk de longa de meestgebruikte teleenheid, maar dat zou niet zo blijven. Er werd namelijk een langzaam proces van inflatie van notenwaarden in gang gezet dat tot op de huidige dag voortduurt. Dit proces is te verklaren enerzijds door het feit dat zangers (en intrumentalisten) wanneer ze een passage te moeilijk vinden een stapje terug doen en bijvoorbeeld in breves gaan tellen en niet in longa's. Anderzijds willen componisten juist ingewikkelde snelle passages mogelijk maken. Daarom verzinnen ze dan weer een onderverdeling.

Met de komst van de Ars Nova barste de experimentatie met nieuwe ideeën en notaties pas goed los. Dit had weer politieke en religeuze redenen. Na 1300 was de Paus zijn ijzeren grip op al het leren en denken in Europa goeddeels kwijtgeraakt, omdat hij de gijzelaar van de Franse koning in Avignon was geworden. Om weer het oude prestige terug te winnen werd het hof in Avignon aan het eind van de 14e eeuw zelfs een broeinest van Avant Garde onder Pauselijke bescherming. Er was al lang een onderverdeling van de brevis in twee of drie semibreves (onze 'hele noot'). Zo ontstonden er vier hoofd -tijdsaanduidingen:

Modus perfectum cum prolatione majore 1 longa = 3 breves = 3*3 semibreves
Modus imperfectum cum prolatione majore 1 longa = 2 breves = 2*3 semibreves
Modus perfectum cum prolatione minore 1 longa = 3 breves = 3*2 semibreves
Modus imperfectum cum prolatione minore 1 longa = 2 breves = 2*2 semibreves

Een perfecte modus werd aangeduid door een cirkel, een imperfecte door een halve cirkel. Deze laatste bestaat nog in ons notatie systeem als C. De grote prolaties werden aangeduid door een punt in het midden van de cirkel te zetten.

In later tijden, toen de notenwaardeninflatie weer verder was doorgezet werden deze tekens ook nog eens voorzien van een vertikale streep. Dit duidde aan dat alles een factor twee keer zo snel ging. Later verscheen aan deze streep nog een vlag, een dubbele vlag, et.

Naast dit systeem van tijdsaanduidingen was er in de 14e eeuw een ware explosie van allerlei andere tijdsaanduidingen. Er werden nog kortere notenwaarden ingevoerd zoals de minima (onze halve noot) en men begon kleur te gebruiken. Er werden zwarte noten naast witte (open) noten ingevoerd en er waren zelfs rode noten. Men gaf hier bijvoorbeeld mee aan dat op de tijsduur van twee noten nu drie noten gedacht noesten worden. Vooral in de tijd van de Ars Subtilior (de late Ars Nova) leidde dit tot een zodanig ingewikkelide notatie dat het notatie-lezen op zich al als een kunstvorm gezien werd.

Systemen van notenbalken

In de Middeleeuwen werden de verschillende stemmen van de polyfone muziek messtal niet onder elkaar geschreven maar afzonderlijk, naast elkaar. Dat spaarde plaats en daarmee perkament. Met de komst van de boekdrukkunst veranderde dat en verscheen koormuziek met vier of meer balken onder elkaar samengepakt in een 'systeem'. Het notatiesysteem werd in het algemeen een stuk eenvoudiger, hoewel er nog steeds ligaturen gebruikt werden, die hun oorsprong nog in het neumensysteem hadden. Inmiddels was de hele noot de teleenheid geworden of zelfs de halve noot en was er een kwartnoot en soms zelfs een achtste noot verschenen. Onderverdelingen gingen nu voornamelijk met factoren twee.

Metrische aanduidingen

In de vroege barok wordt muziek steeds meer met maatstrepen geschreven en oorspronkelijk hebben deze strepen een metrische betekenis. De noot vlak na de streep heeft een grote nadruk. In later tijden, zeker in de twintigste eeuw is deze betekenis hoe langer hoe meer vervaagd. Vandaag is de maatstreep niet veel meer dan een grafisch hulpmiddel om aan te geven welke noten tegelijkertijd gespeeld of gezongen worden.

Dynamische aanduidingen

In de barok verdwenen de laatste ligaturen en werd de halve of soms de kwartnoot de teleenheid, hoewel er soms nog wel een tripla in hele noten genoteerd werd. Dit kan in onze tijd nog wel eens verwarring geven omdat mensen door het notenbeeld ten onrechte denken dat de muziek een laag tempo heeft. Er beginnen in deze tijd ook wat tekens bij te komen. In de Franse barok zijn dat bijvoorbeeld aanduidingen van trillers, mordenten enz. Er is ook een fermata, hoewel weining gebruikt en wellicht niet meer dan een tijdelijke aarzeling. Ook ziet men een enkele keer tekens als f (forte) en p (piano) om aan te geven dat een herhaald motief de tweede keer zachter moet worden gespeeld dan de eerste keer. Overigens zijn dit soort aanduidingen nog vrij zelfdzaam. De vele aanduidingen die men in moderne uitgaven van barokmuziek aantreft zijn meestal verzinsels van de uitgever. In de oudere barok komen nog steeds C-sleutels voor, vooral in koormuziek, maar in moderne uitgave worden zij vaak omgezet in moderne notatie.

Er waren al wel wat tempo aanduidingen zoals Allegro, maar ze hebben niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis die ze nu hebben. Allegro betekende gewoon vrolijk en niet een bepaald getal op een metronoom.

Romantiek

Met de Romantiek beginnen componisten in steeds grotere details voor te schrijven hoe hun muziek precies gespeeld moesten worden. Er ontstonden allerlei bijtekens, soms geschreven zoals rallantando of sforzando. Ook aanduidingen van langdurige crescendo's en decrescendo's worden populair. Omdat deze aanduidingen vaak over de maatstrepen heen hun geldigheid behouden wordt de betekenis van de maatstreep steeds verder op de achtergrond gedrongen. Aan het eind van de 19e eeuw wordt de zucht naar vastlegging van ieder detail zo groot dat er bij iedere maat wel weer iets van nicht zögern bijstaat. De muzikant werd hiermee van kunstenaar in zijn eigen recht geheel tot slaafs uitvoerder teruggebracht.

Moderne tijd

In de 20e eeuw kwam daar een reactie op. Deze hele eeuw was een tijd van experimenteren, volgens sommigen ten koste van de schoonheid en het plezier van de toehoorder. Er ontstonden veel nieuwe notaties, onder andere grafische notaties waarin maar zeer summier een suggestie gegeven wordt aan de musicus wat hem precies te doen staat. Kenmerkend van de latere 20e eeuw is ook dat veel van de oude notatiesysteem weer in omloop gekomen zijn door de drang naar 'authentieke' beoefening van oudere muzieksoorten.



Tagoror Networks: Spain  |  Philippines  |  Mexico

Los documentos de esta enciclopedia on line se publican bajo la Licencia de Documentación Libre GNU

De tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van toepassing zijn.