De geschiedenis van de islam begint bij Mohammed (570-632), de profeet en stichter van de Islam. De boodschappen die hij in veel verschillende sessies ontving en die later zijn opgetekend in de Koran had hij volgens de overlevering rechtstreeks van Allah (God) gekregen door bemiddeling van de aartsengel Gabriël. Die boodschappen bracht hij allereerst over aan zijn vrienden en familie. Mohammed legde, zeker in de begintijd, vooral de nadruk op het loslaten van het aanbidden van de vele goden (polytheïsme), wat in die tijd een wijd verbreide vorm van godsdienst was bij de woestijnvolken in Arabië, en riep zijn toehoorders op om de ene, almachtige schepper-God te aanbidden. Hij predikte de totale overgave (islam) aan de wil van God. De enige verplichting die hij in die begintijd oplegde was het bidden en voorover buigen in de richting van Jeruzalem. Met dat laatste probeerde hij vooral, maar tevergeefs, de joden voor zijn boodschap te winnen. Toen dat niet lukte, verordonneerde hij dat moslims in de richting van Mekka moesten bidden.
Al gauw kwam er sterke tegenstand tegen zijn boodschap. 'Overgave' was niet alleen een nieuw begrip voor de trotse Arabieren, ook vreesden inwoners van Mekka dat hij hun bron van inkomsten, de cultische verering van de zwarte steen in de Ka'aba, zou ondermijnen. Er werd zoveel gedreigd, dat Mohammed in 615 sommige volgelingen adviseerde naar Abessinië te vluchten. Toen in 619 zijn eerste vrouw, Khadidja en ook een geliefde oom overleden, wilde ook hij uit Mekka weg. Yatrib, zo'n 500 km. ten noordoosten van Mekka, wilde hem wel ontvangen. In 622 tenslotte maakte hij met een aantal volgelingen de lange reis, die bekend staat als het jaar van de verhuizing, de hidjra. De stad werd vanaf toen Medinat- al-Nabi genoemd, de 'stad van de profeet'. Deze voor moslims belangrijke gebeurtenis markeert het begin van de islamitische jaartelling en ook het begin van het streven naar de oemma, de wereldwijde islamitische gemeenschap, een nieuwe wereldorde die onderworpen zou zijn aan de wetten van God.
Mohammeds eerste rol in Medina was die van arbiter in allerlei conflicten en vete's. De traditionele Arabische trekken als de familie-eer, persoonlijke trots, broederschap en trouw aan de clan golden binnen de jonge moslimgemeenschap evenzeer als daarbuiten. Maar gaandeweg ontwikkelde hij zich meer en meer tot een politiek en militair leider. Ook zijn boodschappen kregen steeds meer politieke en militante lading.
Enkele jaren later brak er oorlog uit tussen de inwoners van Mekka en die van Medina, die na vele veldslagen uiteindelijk door Mohammed's troepen werd gewonnen. In 630 nam hij Mekka in en maakte van de Ka'aba een islamitisch heiligdom. Als overwinnaar stelde hij zich waarschijnlijk coulant op, zodat hij toch veel inwoners van Mekka voor zich wist in te nemen. Zeer velen bekeerden zich tot de islam.
Mohammed's relatie met joden en christenen
In zowel Mekka als Medina woonden kleine aantallen joden en christenen. Mohammed had zijn allereerste overwinning op Mekka behaald in de maand Ramadan. Hij stelde daarom dat die maand de vastenmaand zou zijn, waarschijnlijk als tegenhanger van het Joodse Feest van de Grote Verzoening. Nadat steeds duidelijker werd dat joden noch christenen van plan waren zijn leer te volgen, hoewel hij vooral in het begin probeerde hen over te halen en zijn relatie met de oosterse christenen toch steeds vriendelijk was geweest, uitte Mohammed steeds meer kritiek: de leer van Mozes zou vervalst zijn en Jezus zou eerst geen profeet zijn, later wel, maar niet de zoon van God. Hij boodschapte vaak tegen de idee van de drie-eenheid; God kon immers geen vrouw, dus ook geen zoon hebben en er kon maar één God bestaan. Hij hield Jezus zelf trouwens niet verantwoordelijk voor deze 'vervalste leer'. Ook kon Jezus als een door God gezonden profeet niet op zo'n oneervolle manier gestorven zijn als de christenen zeiden. Dat zou God nooit hebben toegelaten. Het boek van de christenen moest zijn vervalst. Mohammed zei dat er heimelijk een vervanger aan het kruis gehangen was.
De Islam was dus volgens Mohammed de definitieve, enig ware religie, gebaseerd op de laatste en zuiverste openbaringen van God aan een mens. Zowel joden als christenen en werden door hem gerespecteerd als 'mensen van het boek'; zelfs werden moslim gelovigen aangemoedigd naar hen te luisteren, hen zelfs te beschermen. Maar toen verreweg de meesten van hen niet tot de islam wilden overgaan, werden ze bij de ongelovigen geschaard, degenen die de boodschap van Allah hadden geweigerd aan te nemen, en verklaarde hij dat hun heilige boeken vervalst waren.
Ontwikkeling van de leer
Intussen kreeg Mohammed steeds meer greep op het hele Arabische schiereiland. Hij fungeerde in feite als staatshoofd. De regels die hij zelf neerlegde in zijn boodschappen en preken golden als wet. Die kregen steeds meer het karakter van leefregels om de structuur van de samenleving en de bescherming van personen en bezit te regelen. Heel veel van de latere boodschappen lijken vooral een antwoord te zijn geweest op praktische problemen die ontstonden. Hij boodschapte bijvoorbeeld de 'oog om oog' regel als straf voor moord met voorbedachten rade en een mildere compensatie in geval van een ongeluk, om onnodige vetes te voorkomen. Dieven moest een hand worden afgehakt. Toen nogal wat mannen omkwamen in de veldslagen met de inwoners van Mekka, dreigden hun weduwen en kinderen te verkommeren. Dus werd polygamie niet verboden, maar wel werd het maximum aantal vrouwen per man op vier gesteld (hoewel Mohammed zelf later meer dan vier vrouwen had. Toen hij daar vragen over kreeg zei hij dat Allah dat hem alleen had toegestaan). Ook kregen vrouwen recht op bezit en het recht om te erven, de helft van wat een man kreeg bij een erfenis. In het algemeen gesproken kregen vrouwen een wat betere status dan in de traditionele cultuur van het Arabië van de 7e eeuw. Wel stelde hij de man een graad boven de vrouw, moesten vrouwen 'voor hun eigen bescherming' een sluier dragen en telde haar getuigenis voor de rechter minder zwaar dan die van de man. Het recht van de man zijn vrouw in bijzondere gevallen te verstoten (een schande voor de vrouw en haar familie) werd in de praktijk een instrument om vrouwen onder de duim te houden.
Ook allerlei andere andere aardse zaken werden door Mohammed vastgelegd, zoals het verbod op schadelijke dranken (alcohol), gokken en woekerrente en op het eten van varkensvlees, bloed, verstikte dieren en aan afgoden geofferde dieren (vergelijkbaar met voedingsregels uit de Torah en van de eerste christenen). Slaven houden was toegestaan, maar ze moesten goed behandeld worden. Het vrijlaten en vrijkopen van slaven was een belangrijke vorm van aalmoezen geven, een plicht voor de moslim. Fraude, meineed en laster werden veroordeeld.
Al deze en veel andere regels zijn later onderdeel geworden van de shari'a, de islamitische wetgeving. Veel zaken die niet niet door Mohammed genoemd zijn, zijn later door anderen ingevuld. Ook de sunna (de weg van de profeet, zijn eigen handel en wandel), zoals geformuleerd in de mondelinge en later genoteerde overleveringen, de Hadith, fungeerde als basis voor het wetssysteem.
De Islam en het Arabisch-islamitische rijk na Mohammed
De opvolging van Mohammed was niet geregeld. Na diens dood in 632 werd na veel geharrewar niet Ali, de neef en schoonzoon, maar Aboe Bakr, de oom en schoonvader van Mohammed gekozen, hoewel Ali later de vierde kalief werd. Na de moord op Ali en zijn zoon Hoessein regeerde de dynastie van de Oemmajjaden vanuit Damascus tot 750 en vervolgens de Abbassiden vanuit Bagdad tot 1258.
De volgelingen van Ali bleven er echter van overtuigd dat Ali en zijn zoons de opvolging onterecht was ontnomen. Zij werden de 'partij van Ali', ofwel de sji'ieten genoemd, die zich afscheidden van de soennieten: het grote schisma binnen de islam. Nog altijd worden Ali en Hoessein vereerd als de grote martelaren van de sji'itische islam. Hun graven in de steden Kufa en Najaf in het huidige Irak zijn voor sji'ieten zeer heilige plaatsen.
Twee jaar na Mohammed's dood gaf Aboe Bakr, de eerste kalief, opdracht tot het verzamelen van de her en der mondeling en schriftelijk verspreidde boodschappen van de profeet. Er ontstonden echter zoveel verschillende compilaties, dat de derde kalief, Othman, de opdracht gaf één officiële versie te maken. Dat gebeurde en in 657 kon die versie van de Koran worden goedgekeurd.
De Islam heeft zich in de eerste eeuwen na zijn ontstaan wijd verbreid, met name door middel van de Arabische veroveringsoorlogen. Tijdens Mohammed's leiderschap werd het grootste deel van het Arabische schiereiland onder moslim bestuur gebracht. Daarna werden Syrië en Mesopotamië veroverd. Palestina, Noord-Afrika, Perzië, Anatolië, Afghanistan en delen van India kwamen binnen twee eeuwen onder moslim invloed en werden geïslamiseerd, hetzij vrijwillig, hetzij onder dwang. In 749 vluchtte de Oemajjadische prins Abd al-Rahman naar Spanje, waar hij te Cordoba een emiraat stichtte. Een van zijn opvolgers verklaarde zich tot kalief. Deze dynastie hield stand tot 1027.
Niet alleen de islam, maar ook Arabische taal, kunst en cultuur reisden met de veroveraars mee, vooral in bloeiperioden als de 8e en 9e eeuw. Moskeeën en paleizen werden rijk versierd met mozaïek en abstracte ornamenten. De poëzie kende nieuwe ontwikkelingen en de filosofie (falasifa) leefde op door de vele en gevarieerde contacten met andere religies en beschavingen.
Maar midden in de bloeiperiode zette ook het verval in. De stabiliteit binnen het rijk werd steeds verder aangetast. Sommige gebieden verklaarden zich onafhankelijk van het centrale kalifaat. Ook machtig werden onder meer de sji'itische Fatimiden (voortgekomen uit de Ismaëlieten; zij heersten in Jemen en heel Noord-Afrika). Verder de Ajjoebiden en de Mamelukken (oorspronkelijk bekeerde slaven uit de oost-Turkse regio, die gaandeweg steeds meer macht kregen en later het sultanaat in Egypte bekleedden).
In 1258 werd het kalifaat van Bagdad door de Mongolen vernietigd. Veel Mongolen bekeerden zich in Perzië na die tijd tot de islam.
Vanaf de 16e eeuw beheersten de Ottomanen (Turken) het Arabische gebied. Zij veroverden een deel van Europa en brachten de islam met zich mee. Pas in 1922 kwam er een eind aan hun rijk. Nog altijd is de islam op de Balkan een belangrijke religie.
Ontstaan van stromingen binnen de Islam
Ook op theologisch gebied speelde zich de eerste eeuwen veel strijd af. Er ontstonden verschillende stromingen, zoals de Kharijieten en het Sji'isme; de nogal rationalistisch ingestelde Moetazillieten hadden lange tijd invloed. Pas na bijna drie eeuwen was het orthodoxe geloofssysteem van de soennies, overeenkomend met de leer van de vier orthodoxe rechtsscholen (mazhab, mv. mazahib''), uitgekristalliseerd. De meeste invloed hierop had Al-Ash'ari (gest. 935).
Na de 9e eeuw kwam het mystieke Soefisme op, wat door de orthodoxe islam aanvankelijk werd onderdrukt. Toen het desondanks bleef groeien, werd het tenslotte in gematigde vorm geaccepteerd. Uit het soefisme ontstonden in de 12e eeuw veel mystieke, monastieke orden en rondzwervende groepen. De leden daarvan werden 'derwisjen' genoemd. Uit deze tijd stamt ook de islamitische heiligenverering.
In de loop van de tijd ontstonden binnen de Islam nieuwe bewegingen en sekten, zoals die van de Wahhabieten. Deze beweging had een puriteins en ascetisch karakter en ontstond in de 18e eeuw in het westen van India. Het babisme, ontstaan in Perzië in de 19e eeuw, werd als een sekte beschouwd. Ook zijn er hervormingsbewegingen ontstaan met een syncretistisch karakter, sommige om de islam verenigbaar te maken met moderniteit en hedendaagse beschaving, andere om de islam als godsdienst te verenigen met onder meer het christendom, zoals de Voorindische Ahmaddijabeweging nastreefde.
De Islam in de 20e eeuw
Na de Eerste Wereldoorlog kwam er een eind aan het Ottomaanse rijk (1922) en viel een groot deel van de Arabisch-islamitische wereld onder westers bestuur. De tweede helft van de twintigste eeuw kenmerkte zich door de emancipatie van de Arabische landen, de exploitatie van de enorme olievoorraden in met name Irak en Saoedi-Arabië, een nieuw zelfbewustzijn en een streven naar Arabische eenheid, de oemma, waarbij de islam en de Arabische taal de belangrijke katalysatoren moesten zijn.
De islam breidde zich ondertussen geweldig uit in de noordelijke helft van Afrika en delen van Azië, met name Pakistan en Indonesië, nu het land met het grootste aantal moslims ter wereld. Na de ontbinding van het Sovjet-imperium bloeide de islam ook op in verschillende voormalige Sovjetstaten.
Waar Turkije na 1922 onder leiding van Kemal Atatürk juist een seculiere staat werd, kreeg de politieke strijd in de Arabische regio steeds meer een religieuze lading. Allereerst streden verschillende Arabische landen tegen het westerse patronaat, maar vooral tegen het ontstaan en later bestaan van de staat Israël, wat leidde tot verschillende Arabisch-Israëlische oorlogen. Hieruit ontstond de strijd rond het Palestijnse vraagstuk, waaruit de Intifada voortkwam.
De opkomst van de fundamentalistische islam, vooral aan het eind van de 20e eeuw, is mede veroorzaakt door het verzet ('jihad' of 'heilige oorlog', strijd tegen het ongeloof) tegen 'verdorven westerse', vermeende anti-islamitische krachten, zoals 'Amerika' (christenen en zionisten, 'de grote satan') en 'het zionisme' (de staat Israël). De opkomst van bepaalde vormen van ultra-orthodoxie leidde tot het stichten van islamitische, theocratische 'heilsstaten'. Dit was het geval in Iran, waar de westers georiënteerde Sjah Mohammed Reza Pavlevi in 1979 werd verdreven om plaats te maken voor zeer streng orthodoxe sji'itische (Ayatolla Khomeini en zijn opvolgers). In Afghanistan hadden van 1997-2002 de ultra-orthodoxe Taliban de macht in handen. Zij voerden een waar schrikbewind, gebaseerd op een zeer strikt gecontroleerde naleving van de shari'a, aangevuld met nog strengere regels, die vooral tot doel leken te hebben de vrouw uit het openbare leven te weren. De jaren '90 werden ook gekenmerkt door bloedige gebeurtenissen in Algerije, waarbij in de strijd tussen moslimfundamentalisten en een hervormingsgezinde regering tienduizenden onschuldige burgers werden vermoord.
De fundamentalistische 'jihad' leidde uiteindelijk begin 21e eeuw tot een wereldwijde strijd tegen het terrorisme en de oorlog in Afghanistan. Daarnaast maakte het Midden-Oosten de oorlog tussen Iran en Irak en de twee Golfoorlogen (in 1991 en in 2003) mee.
De Islam in het westen
Sinds de jaren '60 van de vorige eeuw is de Islam via gastarbeid en immigratie in westerse landen een factor van betekenis geworden. Zowel in Nederland als in Belgie is de islam qua aantal volgelingen de tweede godsdienst. In Nederland wonen alleen al ongeveer 300.000 Marokkanen en zo'n 200.000 Turken. Frankrijk telt vooral veel moslims uit de voormalige kolonie Algerije, Spanje krijgt veel illegalen vanuit Marokko te verwerken. In Duitsland wonen zo'n anderhalf miljoen (?) Turkse moslims.
De plaats van moslims binnen de westerse cultuur is binnen het thema 'Integratie van minderheden' een lastig onderwerp van gesprek, waarover uiteenlopende meningen bestaan. Daarbij gaat het in Nederland vooral over de vragen hoe de integratie moet worden bevorderd, en vooral hoever die integratie moet gaan: 'Integratie of assimilatie?' Bij moslims in het westen strijden secularisatie en het versterken van de eigen religieus-culturele identiteit om de voorrang. Bij de jongere generatie worden beide ontwikkelingen waargenomen.
Ontevredenheid over het hobbelige integratieproces leidt tot reacties binnen de 'multiculturele' samenleving. Veel moslims voelen zich gediscrimineerd. Sommigen menen dat van hun traditionele en islamitische waarden, normen en gebruiken teveel moet worden ingeleverd om te kunnen integreren zoals overheid en samenleving dat liefst zouden willen zien. Dat leidt tot zowel defensieve als offensieve reacties.
Een voorbeeld van een offensieve reactie is de AEL, de Arabisch-Europese Liga, opgericht in 2002 door de Libanese Belg Dyab Abou Jahjah. Dat gebeurde in Antwerpen, waar zeer veel moslims wonen. Abou Jahjah, die Arabisch nationalisme propageert, wil het Arabisch als officiële taal invoeren en de shari'a als wetgeving. Verder is de AEL anti-zionistisch, anti-Amerikaans en pro-Palestijns. De organisatie wordt in België door veel gematigde moslims te radicaal gevonden, hoewel de charismatische leider ook veel aanhang trekt. In 2003 werd de Nederlandse tak van de AEL opgericht. Volgens Mohammed Cheppih, voorjaar 2003 beoogd voorzitter (hij haakte echter af, waarna Abou Jahjah tijdelijk voorzitter werd), zou de AEL streven naar "integratie met behoud van eigen identeit". Cheppih zei moslims weer trots te willen maken op hun godsdienst. De meeste Nederlandse Marokkanen (meest Berbers) voelen zich overigens door de zeer radicale en Arabischgetinte AEL niet vertegenwoordigd.
Alledaagse, al of niet demonstratieve uitingen van de moslimcultuur, zoals de hoofddoek en andere, meer bedekkende kleding (zoals de niqab en de burqa) van islamitische vrouwen vormen een bron van weerstand en discussies.
Ondanks het feit dat veel moslims in het westen een goedwillende, gematigde houding hebben, zien sommige westerlingen de islam, of liever, de meer radicale elementen binnen de godsdienst, als een bedreiging voor de eigen nationale cultuur. Deze houding is versterkt door door angst voor terroristische acties, met name na 11 september 2001). Velen zien met name de radicale islam als een potentiële bedreiging voor de nationale veiligheid. De Nederlandse overheid heeft daarom bijvoorbeeld bepaald dat preken in de moskee alleen in de Nederlandse taal is toegestaan. Voorgenomen aktieve overheidscontrole op scholen stuitte echter op grote weerstand.
In westerse landen wordt de Islam als godsdienst over het algemeen in een aangepaste vorm gepresenteerd, door sommigen de 'westerse islam' genoemd. Zo wordt bijvoorbeeld de nadruk gelegd op de begrippen 'vredelievendheid' en het belang van strikte rechtshandhaving en een goede moraal. De democratie als systeem wordt gerespecteerd, hoewel dat begrip in sommige gevallen een andere inhoud lijkt te hebben. Een groeiend aantal moslims is aktief binnen bestaande politieke partijen. Ook zijn er moslimpartijen opgericht, zowel in België als Nederland. De Somalisch-Nederlandse politica Ayaan Hirsi Ali en de Iraans-Nederlandse jurist Afshin Ellian (ook van moslim afkomst) noemden de politieke islam de 'doodsvijand van de democratie'. Hirsi Ali oogstte verder in 2002 zowel bijval als kritiek met haar uitspraken over de positie van de vrouw binnen de islam ('Zoontjesfabriek').