Hieronder volgt een kleine geschiedenis van de digtale computer zo als wij die in het dagelijks leven gebruiken: Hoe de computer is ontstaan
De huidige computer is een elektronische rekenmachine die intern niet rekent met de Arabische cijfers van 0 – 9 maar die het binaire talstelsel gebruikt: uit=0 of aan=1. Diezelfde cijfers worden bij alles wat een computer doet gebruikt. De eerste computers zijn eigenlijk tienduizenden jaren oud want een computer is niet meer dan een rekenmachine. Een voorbeeld van een rekenmachine die niet met elektriciteit werkt is een telraam.
Veel later in het jaar 1941 is pas de eerste elektronische computer uitgevonden die heette afgekort de ENIAC. ENIAC staat voor: Electronic Numerical Integrator And Calculator. De ENIAC bestond uit 19.000 radiobuizen. Deze computer was daardoor ook gigantisch groot. De computers werden pas veel later kleiner toen de transistors en daarna de microchips werden uitgevonden. Het was erg onhandig om de ENIAC te gebruiken voor een ander programma want dan moesten de radiobuizen op een andere manier met elkaar worden verbonden. Deze computer had ook maar een heel klein gedeelte van de mogelijkheden die de computers tegenwoordig hebben.
Het principe van de computer die je tegenwoordig gebruikt is bedacht door Charles Babbage en Augusta Ada Byron. De computer zelf konden ze nog niet bouwen omdat de techniek die daarvoor nodig was nog niet beschikbaar was. De computer die zij hadden bedacht kon gegevens krijgen van buiten af, zoals tegenwoordig met een cd-rom of een floppy. De computer die zij hadden bedacht werkte met ponskaarten of ponsband Een ponsband is een lange rol met gaatjes erin die door een invoerapparaat van de computer gevoerd werd. Las de computer een gaatje dan kreeg hij het signaal 1 binnen als op het stuk dat de computer las geen gat zat kreeg hij een 0 binnen. De lange code die hij dan uiteindelijk binnen had gekregen kon hij weer verwerken tot een programma. Charles Babbage had ook al een printer erbij bedacht, dan kon hij de gegevens die hij uit het programma haalde ook weer uitprinten.
Deze computer zou erg groot, zwaar en duur worden omdat de onderdelen nog niet erg klein konden worden gemaakt. Daarom waren de eerste computers ook alleen van erg rijke mensen en de overheid. De computers werden al een stuk kleiner toen in 1947 transistoren werden uitgevonden. Toen beweerde het tijdschrift "Popular Mechanics" dat er ooit een computer zou komen die 'maar' 1500 kilo zou wegen.
De computers begonnen pas echt kleiner te worden in 1969 na de uitvinding van de Geïntegreerde schakeling (IC)uitgevonden. Op zo’n chip konden een heleboel transistors worden gemonteerd. De chips werden in de jaren 70 verbeterd toen werd het mogelijk om een complete processor op een chip te integereren. Het werd daardoor goedkoper om een computer te bouwen.
De eerste homecomputers ware toen klein en goedkoop genoeg om door consumenten te kunnen worden, maar van enige standaardisering was niet of nauwelijks sprake. Computers uit de periode 1975-1985 waren o.a. de Commodore-64, Acorn-Atom, en de Apple-II gebaseerd op 8-bits processoren.
IBM is het bedrijf dat de Personal Computer in 1979 ontwikkelde; de IBM-PC op basis van de 8088 een 16-bits microprocessor van Intel. IBM kocht van het toen volstrekt onbekende en kleine bedrijfje Microsoft een nog te ontwikkelen besturingssysteem voor de Personal Computer. Microsoft kocht toen QDOS (Quick and Dirty Operating System) van een ander bedrijfje op en bracht het uit onder de naam MS-DOS. Andere bedrijven die later ook Personal Computers gingen bouwen deden dat op basis van het ontwerp van IBM en gebruikten daarop meestal eveneens MS-DOS dat daarmee een de-facto standaard werd. Tegenwoordig (2004) wordt MS-DOS bijna niet meer gebruikt.
Andere bedrijven zoals Apple ontwierpen zelf hun - niet op MS-DOS gebaseerde - besturingssysteem. Uitwisseling van gegevens tussen computers met verschillenede besturingssystemen was niet of alleen moeizaam mogelijk.
Met de onwikkeling van gebruiksvriendelijker systemen met een grafische gebruikersinterface (GUI) onstond ook de behoefte aan (veel) krachtiger PC's. Met de 32-bits processoren als de Intel 80386, 80486 en de Motorola 68000 werdt e.e.a. mogelijk. Hiervoor kwamen ook nieuwe besturingssystemen als MS-Windows op de markt.
Onafhankelijk van de ontwikkelingen op PC-gebied ontwikkelden zich ook de mainframe en minicomputers, met als grote spelers resp. IBM en DEC.
De miniaturisatie van computers is in 2004 zo ver dat ook de 'handheld' computer of PDA gemeengoed begint te worden.