De Italiaanse schrijver F.T. Marinetti stak met een eerste Manifeste in de Figaro van Parijs op 20 februari 1909 het vuur aan de lont van het Futurisme. Het was het begin van een reactie op het verouderde academische conservatisme, en zoals vaker gebeurde dat eerst op het algemeen literaire vlak. Het manifest beoogde een toekomst gedreven door strijd, aanval en beweging, en richtte zich op de arbeidersbewegingen, op revolutie en op anarchie. Tussen 1909 en 1920 verschenen meer van dergelijke manifesten. Op 11 februari 1910 ondertekenden Umberto Boccioni, Carlo Carrà, Gino Severini, Luigi Russolo en Giacomo Balla het Manifeste des peintres futuristes. Op 2 april nog hetzelfde jaar volgde het Manifeste technique de la peinture futuriste.
In 1911 presteert Marcel Duchamp, te Puteaux, zijn ophefmakende Nu descendant l'escalier, tussen zijn kubistische vrienden.
In 1912 schreef Boccioni een eigen Manifeste de la sculpture futuriste, terwijl er in 1914 door de architect Antonio Sant'Elia zelfs een Manifeste de l'architecture futuriste werd gepubliceerd.
De beide geschriften omtrent de schilderkunst drongen enerzijds aan op het uitdrukken van de dynamische sensatie of de opeenvolgende fasen van een beweging of van het gevoelsleven en anderzijds op het simultaneïsme of het samenvatten in één moment van deze fasen.
In februari 1912 kregen de futuristen hun grote expositie te Parijs, gevolgd door een tweede in 1913. Beide werden hernomen in meerdere belangrijke centra van Europa.
Hoewel de futuristen het gelijktijdig lopende Kubisme afwezen, kan niet worden ontkend dat een correlatie tussen beide bewegingen moeilijk te negeren valt.
Het Futurisme was echter een kort leven beschoren. Toen in april 1915 Italië bij de eerste wereldoorlog betrokken werd, viel de beweging uiteen.