Tagoror  

Encyclopedie




Functie (wiskunde)

Table of contents
1 Oorsprong
2 Definitie
3 Voorbeelden en tegenvoorbeelden
4 Eigenschappen van functies
5 Inverse

Oorsprong

Het woord ‘functio’ wordt voor het eerst gebruikt door Leibniz in 1673 in zijn manuscript “Methodus tangentium inversa, seu de functionibus” en is afgeleid van het Latijnse werkwoord fungor (ik voer een taak uit). Leibniz beschouwt een functie als een grootheid verbonden met een kromme, die ten opzichte van de kromme een bepaalde taak uitvoert, ofwel, een ‘wiskundige taak’.

In 1718 definieert de van oorsprong Zwitserse wiskundige Johann Bernoulli een functie als: "[On appelle fonction] d'une grandeur variable une quantité composée de quelque manière que ce soit de cette grandeur variable et de constantes." en maakt hij gebruik van een notatie voor een functie waarbij hij X schrijft voor een grootheid die van x afhankelijk is, en daarnaast nog een nummer boven de X indien er sprake is van meer variabelen die van x afhankelijk zijn.

De definitie van Euler uit 1748 stelt: "Eine Function einer veränderlichen Zahlgrösse ist ein analytischer Ausdruck, der auf irgend eine Weise aus der veränderlichen Zahlgrösse und aus eigentlichen Zahlen oder aus constanten Zahlgröossen zusammengestellt ist.". En deze verschilt dus niet wezenlijk van die van Bernoulli uit 1718. Echter, de definitie die Euler in 1755 aan het begrip functie geeft, verschilt vrijwel compleet. Hij schrijft:

"If some quantities so depend on other quantities that if the latter are changed the for- mer undergo change, then the former quantities are called functions of the latter. This denomination is of broadest nature and comprises every method by means of which one quantity could be determined by others. If therefore, x denotes a variable quantity, then all quantities which depend upon x in any way or are determined by it are called functions of it."

De moderne, formele definitie van een functie hebben we te danken aan Dirichlet en dateert uit de 19e eeuw.

Definitie

Een functie van A naar B kan worden beschouwd als een ‘machientje’ dat aan ieder element van A een uniek element van B koppelt. Zo transformeert bijvoorbeeld de functie f : R\\{0} → R\\{0}, gegeven door het voorschrift f(x)=x-1, ieder getal behalve 0 naar zijn multiplicatieve inverse.

Formeel zijn functies (ook wel transformaties/afbeeldingen genoemd) een aparte klasse van relaties en deze zijn een generalisatie van de definitie van functie zoals men die meestal in de analyse (
calculus) gebruikt.

Definitie: een functie van X naar Y (genoteerd als: f:X→Y) is een relatie tussen X en Y die voldoet aan de voorwaarden:

  • (i) f is functioneel: als x ∈ X f-gerelateerd is aan y ∈ Y en x is f-gerelateerd aan z, dan is y=z. Ofwel, voor ieder element uit X bestaat het beeld f[x] uit slechts 1 element. Dit unieke element wordt aangeduid als f(x) en noemen we de functiewaarde.

(ii) f is totaal: ∀ x ∈ X bestaat er een y ∈ Y zodat xfy (x is f-gerelateerd aan y) (xfy = (x,y) ∈ f ). Formeel ∀x∈X ∃y∈Y xfy .

De set van invoervariabelen X wordt de definitieverzameling of het domein van f genoemd (soms genoteerd als def(f)). De set uitvoervariabelen Y noemt men het bereik of het codomein van f. Als W ⊂ X dan heet f[W] = {f(x)|x ∈ W} het beeld van W onder f.

Voorbeelden en tegenvoorbeelden

Neem A={1,2,3} en B={a,b,c} en bekijk de volgende relaties (deelverzamelingen van het Cartesisch product A×B).

De relatie G: G is een functie aangezien er voldaan wordt aan voorwaarden (i) en (ii). G is noch injectief (omdat G(1)=b=G(2)), noch surjectief (er is voor het element 'c' uit B geen corresponderend element a ∈ A zodat G(a)=c.
De relatie H: H is geen functie, omdat het niet voldoet aan voorwaarde (i) (H is niet functioneel): het beeld van H[{1}]={a,b} bestaat immers uit 2 elementen en dus wordt niet iedere waarde uit A gekoppeld aan een unieke waarde in B. Dit soort relaties worden ook wel meerwaardige functies genoemd (maar zijn formeel gezien geen functies).
De relatie R: R is geen functie omdat het niet voldoet aan voorwaarde (ii) (R is niet totaal): het element 2 uit A is niet gekoppeld aan enig element uit B. Dit soort relaties worden ook wel partiele functies genoemd (maar zijn formeel gezien geen functies).
De relatie K: K is een functie aangezien hij voldoet aan voorwaarden (i) en (ii). K is zowel injectief als surjectief (en dus bijectief).


Eigenschappen van functies

Een aantal eigenschappen van functies:

Injectief

Een functie f: A→B heet injectief, of een-op-een wanneer het verschillende invoerwaarden naar unieke uitvoerwaarden transformeert, ofwel, wanneer x,y ∈ A dan f(x)=f(y)
als en alleen als x=y.
  • De functie f : R → [0,∞) met voorschrift f(x)=x2 is niet injectief, omdat uit f(x)=f(y) niet volgt dat x=y,
namelijk: f(-2)=4=f(2), maar -2≠2.
  • De functie h : [0,∞)→ R met h(x)=x2 is injectief.


Surjectief

Een functie f : A→B heet surjectief, wanneer voor iedere b ∈ B er minstens 1 a ∈ A bestaat met f(a)=b.

  • De functie: f : R→[0,∞) met voorschrift f(x)=x2 is is surjectief, omdat op het interval voor iedere waarde op het interval [0,∞) er een waarde a ∈ R bestaat zodat f(a)=b.
De functie h : [0,∞)→R met h(x)=x2 is niet surjectief omdat voor b ∈ B en b < 0 geen overeenkomstige a ∈ [0,∞) bestaat zodat h(a)=b.

Bijectief

Een functie f : A→B heet bijectief wanneer f zowel injectief als surjectief is. De functie K uit het voorbeeld is bijectief.

Inverse

-komt eraan-

Zie ook: codomein




Tagoror Networks: Spain  |  Philippines  |  Mexico

Los documentos de esta enciclopedia on line se publican bajo la Licencia de Documentación Libre GNU

De tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van toepassing zijn.