In de vijfde eeuw na Chr stortte het Romeinse gezag in West-Europa ineen. In onze noordelijke streken betekende dat qua beschaving grotendeels een terugval in de prehistorie. Helaas zijn er maar weinig betrouwbare bronnen over deze tijd. Wel is bekend dat de (Salische) Franken, die van de Romeinse keizer toestemming gekregen hadden zich op Romeins gebied in de Scheldevallei en tussen de grote rivieren te vestigen, daarna geheel Nederland-beneden-de-rivieren plus het huidige Vlaanderen in bezit namen. Van hieruit veroverden zij geleidelijk aan eerst Gallië. In 486 verslaat de Frankische koning Clovis de laatste Romeinse generaal, Syagrius, bij Parijs. Gallië krijgt de naam Frankrijk, naar hun nieuwe bewoners.
De Frankische koningen blijven tot na Karel de Grote hun eigen Germaanse dialect spreken. Het Nederlands stamt waarschijnlijk voor een groot deel af van Nederfrankische dialecten. Er zijn echter geen documenten bewaard die deze veronderstelling bevestigen.
In de noordelijker gewesten van Nederland waren lange tijd de Friezen oppermachtig, vooral langs de kust. De Franken gingen al vroeg, omstreeks 490, tot het katholieke Christendom over. Utrecht was lange tijd een Frankisch bolwerk van waaruit werd geprobeerd ook de Friezen te kerstenen (en te onderwerpen).
Zie ook: lijst van koningen der Franken