De evolutietheorie in het kort
De evolutietheorie behelst dat: - a) dieren (veel) meer nakomelingen krijgen dan nodig is om de soort te laten voortbestaan, zodat er altijd een aantal te gronde gaat; (reproductie-overschot)
- b) nakomelingen soms van hun ouders verschillen door toevallige veranderingen (mutaties);
- c) deze veranderingen erfelijk zijn;
- d) deze veranderingen gevolgen hebben voor de kans van zo'n nakomeling om in leven te blijven en zichzelf voort te planten - de meeste mutaties zijn nadelig, maar af en toe blijkt een mutatie beter in staat om zich te handhaven dan de oorspronkelijke vorm. Zo'n mutatie zal zich dan handhaven en na verloop van tijd zijn dan de meeste exemplaren van de soort nakomelingen van de mutant.(survival of the fittest - natuurlijke selectie).
- e) indien dit proces lang en vaak genoeg herhaald wordt, de verschillen tussen de oorspronkelijke soort en de gemuteerde nakomelingen uiteindelijk zo groot worden, dat ze
niet meer met elkaar kunnen paren en vruchtbaar nageslacht produceren of elkaar niet meer als partners zien of wellicht op een andere plaats zijn gaan wonen zodat ze elkaar niet meer ontmoeten.
Er is dan volgens de gangbare definities een nieuwe soort ontstaan. - f) Verder kan een rol spelen dat seksuele partners elkaar uitkiezen op grond van uiterlijk, ook waar dit op zich geen duidelijke meerwaarde heeft voor het voortbestaan van de drager van dit uiterlijk. Dit is opvallend bij veel soorten vogels, zoals onder andere de paradijsvogels. Deze vorm van selectiedruk heet seksuele selectie.
Op dit basisstramien zijn talloze varianten bedacht waarover nog steeds discussie bestaat, maar over het bovenstaande bestaat een vrij algemene consensus. Noot: survival of the fittest slaat niet op de 'fitste' of sterkste, maar op de best bij/in zijn leefomgeving passende.
Welke varianten van evolutie heden nog zouden optreden en welke in het verleden de belangrijkste rol zouden hebben gespeeld bij de soortvorming blijft onderwerp van discussie. Het lijkt erop dat met name geografische scheiding (splitsing van een populatie in twee of meer delen die niet meer bij elkaar kunnen komen, bijv. door het ontstaan van een gebergte of een zee, of gewoon door grote afstand, gevolgd door verschillende selectiedruk (bv een kouder klimaat ten noorden van de bergen) een belangrijke rol zou hebben gespeeld.(allopatrische soortvorming)
Voorbeeld
De mens fokt dieren in vele rassen, bv. de hond. Hierbij treedt een extreme selectiedruk op: alleen dat dier dat voldoet aan de verwachtingen mag zich voortplanten, de anderen wordt daartoe door de mens elke kans ontnomen. Dit is een veel sterker selectie-effect dan in de natuur ooit zal optreden. Maar op deze manier, domesticatie genoemd, lukt het wel om in de loop van slechts enkele honderden jaren van een wolfachtig dier (herdershond) tot een chihuahua te komen. Is hier nu een nieuwe soort ontstaan? Als een wolf een chihuahua tegenkomt is het waarschijnlijker dat deze als maal dan als partner voor de wolf dient; een paring is niet meer mogelijk. Met toevoeging van enkele 'tussenstappen' (wolf met herdershond, nakomelingen met steeds kleinere honden) is het theoretisch nog mogelijk om genetisch materiaal tussen een wolf een een chihuahia uit te wisselen. Volgens de meeste van de definities onder soort zijn een wolf en een chihuahua echter niet meer dezelfde soort. De meeste voor de mensen nuttige dieren en planten (b.v. tarwe, mais, rund, schaap, varken) zijn inmiddels ver verwijderd van hun wilde oervormen.
Weerstand tegen de evolutietheorie
Alhoewel de wetenschappelijke evolutietheorie algemeen geaccepteerd is als verklaring voor het ontstaan en ontwikkeling van soorten, wordt deze niet of niet in zijn geheel geaccepteerd door hen die het creationisme aanhangen, dat stelt dat
- soorten door God geschapen zijn
- sindsdien niet meer veranderen in andere soorten.
Tegenstanders van de evolutietheorie wijzen vaak op het ontbreken van resten van zogenaamde tussenschakels: overgangsvormen tussen soorten die volgens de evolutietheorie in elkaar over zijn gegaan. Zeer veel onderzoek heeft echter aan het licht gebracht dat er veel tussenvormen moeten hebben bestaan. Zo zijn er vormen gevonden die tussen zoogdieren en primaten in staan (b.v. Palaechthon) tussen reptielen en zoogdieren (b.v. Varanops) en tussen vissen en amfibieen (Eusthenopteron). Het bewijs is zo overweldigend dat het nauwelijks te ontkennen valt dat er tussenschakels hebben bestaan.
Creationisten accepteren overigens wel de micro-evolutie. Tussen de aanhangers van de evolutietheorie en de creationisten in staan de theistische evolutionisten.
Andere relevante trefwoorden
Literatuur
Stephen Jay Gould, The Structure of Evolutionary Theory, Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press, 2002, pp. 1006-1021. Richard Dawkins: The Selfish Gene (Oxford: Oxford University Press, 1976)
- - :The Blind Watchmaker (New York: W.W.Norton, 1986)
- - :Climbing Mount Improbable (W.W.Norton, New York and Viking Penguin, London. 1996)
Charles Darwin: On the origin of the species by means of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life. London: John Murray, 1859.
Externe links